De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van het CIZ tot voortzetting van het verblijf van betrokkene, die lijdt aan een psychogeriatrische aandoening met ernstig nadeel als gevolg. Betrokkene verblijft momenteel in een zorginstelling en verzet zich tegen voortzetting van het verblijf. Zijn zoon en dochter stelden een vrijwillige overplaatsing naar een zorginstelling in Irak voor, waar betrokkene de taal en cultuur beter kent en familie hem kan ondersteunen.
De rechtbank overwoog dat het plan voor overplaatsing naar Irak onvoldoende concreet en onderbouwd was. Er ontbraken essentiële gegevens over de zorginstelling, financiële regeling en de wensen van betrokkene zelf, die bovendien niet kenbaar kon maken wat hij wilde. De mentor en advocaat konden hierover ook geen verklaring afleggen. De rechtbank achtte de voortzetting van het verblijf noodzakelijk om ernstig nadeel te voorkomen.
Daarom verleende de rechtbank een machtiging tot voortzetting van het verblijf voor een termijn van vier maanden, zodat betrokkenen de gelegenheid krijgen om aanvullende informatie te verzamelen en overleg te voeren over een mogelijke toekomstige overplaatsing. Het verzoek om machtiging werd afgewezen voor zover het verder ging dan dit.
De beschikking is mondeling gegeven op 24 oktober 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 7 november 2025. Tegen deze beschikking staat cassatie open.