ECLI:NL:RBROT:2025:13338

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/10/707956 / FA RK 25-7590
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging voortzetting verblijf psychogeriatrische patiënt ondanks emigratievoorstel

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van het CIZ tot voortzetting van het verblijf van betrokkene, die lijdt aan een psychogeriatrische aandoening met ernstig nadeel als gevolg. Betrokkene verblijft momenteel in een zorginstelling en verzet zich tegen voortzetting van het verblijf. Zijn zoon en dochter stelden een vrijwillige overplaatsing naar een zorginstelling in Irak voor, waar betrokkene de taal en cultuur beter kent en familie hem kan ondersteunen.

De rechtbank overwoog dat het plan voor overplaatsing naar Irak onvoldoende concreet en onderbouwd was. Er ontbraken essentiële gegevens over de zorginstelling, financiële regeling en de wensen van betrokkene zelf, die bovendien niet kenbaar kon maken wat hij wilde. De mentor en advocaat konden hierover ook geen verklaring afleggen. De rechtbank achtte de voortzetting van het verblijf noodzakelijk om ernstig nadeel te voorkomen.

Daarom verleende de rechtbank een machtiging tot voortzetting van het verblijf voor een termijn van vier maanden, zodat betrokkenen de gelegenheid krijgen om aanvullende informatie te verzamelen en overleg te voeren over een mogelijke toekomstige overplaatsing. Het verzoek om machtiging werd afgewezen voor zover het verder ging dan dit.

De beschikking is mondeling gegeven op 24 oktober 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 7 november 2025. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot voortzetting van het verblijf van betrokkene voor vier maanden wegens onvoldoende onderbouwd emigratievoorstel.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/707956 / FA RK 25-7590
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 24 oktober 2025 betreffende een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1972,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [naam instelling] te [plaatsnaam] ,
advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 07 oktober 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 11 maart 2021;
  • de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1] , specialist ouderengeneeskunde, van 22 september 2025;
  • de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 2 oktober 2025;
  • een afschrift van het zorgplan van 18 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • zoon en dochter van betrokkene;
  • de mentor, en de bewindvoerder, beiden verbonden aan Stichting Veritas;
  • [naam 2] , specialist ouderengeneeskunde, verbonden aan Humanitas;
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk Arabisch.
1.4.
Betrokkene is een groot gedeelte van de mondelinge behandeling aanwezig geweest. Op den duur werd het te veel voor betrokkene, waarna hij is teruggekeerd naar de afdeling.

2.Beoordeling

2.1.
Op 15 mei 2025 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend tot en met 15 november 2025. Op 7 oktober 2025 heeft het CIZ verzocht een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf in een geregistreerde accommodatie te verlenen als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een niet-aangeboren hersenletsel.
2.3.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
In de thuissituatie was in toenemende mate sprake van gevaarlijke situaties. Betrokkene is meerdere malen in verwarde toestand aangetroffen op onveilige plekken, onder andere langs de snelweg. De politie heeft hem daarom ook meerdere keren (volgens het verzoekschrift tientallen keren) naar huis gebracht. Ook was sprake van fysieke en verbale agressie.
De specialist ouderengeneeskunde licht toe dat bij betrokkene ernstige cognitieve beperkingen aanwezig zijn. Daarbij heeft betrokkene ook afasie, waardoor hij zich lastig kan uitdrukken. Op de afdeling wordt gezien dat betrokkene 24-uurs zorg, begeleiding en toezicht nodig heeft. Betrokkene is niet in staat om zelf maaltijden te bereiden, zijn zelfzorg te organiseren en structuur aan te brengen in zijn dag.
2.4.
De voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.5.
Gebleken is dat betrokkene zich verzet tegen voortzetting van het verblijf. Betrokkene heeft al meerdere pogingen gedaan om te ontsnappen van de afdeling.
2.6.
De advocaat van betrokkene heeft, mede naar aanleiding van de wens van de zoon en dochter van betrokkene, de vraag gesteld of zich op dit moment een minder ingrijpende mogelijkheid voordoet om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden (subsidiariteit). In dit kader is van belang dat de zoon en dochter een vrijwillige overplaatsing van betrokkene naar een zorginstelling in Irak hebben voorgesteld. Dat zou betrokkene willen en ook in zijn belang zijn.
2.7.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid van overplaatsing naar een verpleeghuis in Irak met de aanwezigen besproken. De familie van betrokkene (zowel hier als in Irak, zo begrijpt de rechtbank) is van mening dat betrokkene meer op zijn plaats is in een verpleeghuis in Irak waar hij de taal en cultuur kent. Betrokkene maakt volgens zoon en dochter nu een ongelukkige indruk in een omgeving waarin hij bovendien de taal niet (goed) begrijpt. In Irak zijn er familie en vrienden die hem kunnen bezoeken en activiteiten met hem kunnen ondernemen – meer dan waartoe de familieleden in Nederland in staat zijn. Volgens de zoon zou familie in Irak ook financieel garant voor hem kunnen staan wat betreft de zorgkosten.
2.9.
De rechtbank heeft begrip voor de wens van zoon en dochter en ziet ook de moeite die zij hiervoor doen. Echter, de rechtbank begrijpt ook de aarzeling bij de mentor, de bewindvoerder en de instelling als het gaat om een eventueel vertrek van betrokkene naar Irak. Het door de zoon en dochter gepresenteerde plan dat er nu ligt om betrokkene in Irak te laten verzorgen, is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen oordelen dat het ernstig nadeel voor betrokkene ook op een andere, minder ingrijpende manier, kan worden afgewend. Het plan mist een concrete onderbouwing (zo is onduidelijk wat de wensen van betrokkene zijn, welke instelling in Irak de zorg voor betrokkene zou opnemen, of zij daartoe in staat is, hoe dit financieel geregeld gaat worden ect.). Er kan in een situatie als de onderhavige niet zonder meer vertrouwd op het woord en de goede bedoelingen van de familie, zeker niet als zij niet de wettelijk vertegenwoordiger zijn. Van belang is ook dat betrokkene - in ieder geval ter zitting - zijn wens over een eventueel vertrek en opname in Irak niet kenbaar heeft kunnen maken. De mentor en de advocaat hebben hierover ook niet namens betrokkene verklaard. Volgens de specialist ouderengeneeskunde is wat betreft de wensen van betrokkene op dit punt nader onderzoek nodig, bijvoorbeeld met behulp van een logopedist en tolk.
2.10.
Op dit moment heeft de rechtbank, als gezegd, onvoldoende gegevens op basis waarvan zij kan beoordelen dat een rechterlijke machtiging niet verleend dient te worden, vanwege het bestaan van een minder ingrijpend alternatief. Gelet hierop is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechtbank acht, in overleg met de aanwezigen, een termijn van vier maanden redelijk om betrokkenen de kans te geven de benodigde informatie te verzamelen en hierover met elkaar te overleggen om zo mogelijk te komen tot een vertrek en opname van betrokkene in een zorginstelling in Irak. De machtiging zal worden verleend voor de afwijkende duur van vier maanden.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van het verblijf ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 24 februari 2026;
3.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 24 oktober 2025 mondeling gegeven door mr. J.M.J. Arts, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Z.P. van der Knaap, griffier, en op 7 november 2025 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.