ECLI:NL:RBROT:2025:13378

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
708673 / KG 25 - 1053
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorschot op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en inzage in bescheiden

In deze zaak, die op 13 november 2025 door de Rechtbank Rotterdam is behandeld, vordert de vrouw een voorschot op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van € 567.020,00, alsmede inzage in bepaalde bescheiden. De vrouw en de man zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd en hebben op 6 juni 2025 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw stelt dat zij afhankelijk is van de man voor haar levensonderhoud, aangezien hij haar periodiek geldbedragen overmaakt. De man betwist de spoedeisendheid van de vordering en stelt dat de vrouw voldoende middelen heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. De voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende spoedeisend belang is bij de vordering van de vrouw, omdat zij niet langer afhankelijk wil zijn van de betalingen van de man. De voorzieningenrechter kent een voorschot van € 150.000,00 toe aan de vrouw, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op een deel van de gemeenschap. De vordering tot inzage in bescheiden wordt afgewezen, omdat deze in de bodemprocedure kan worden behandeld. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team haven en handel
Zaaknummer: C/10/708673 / KG ZA 25-1053
Vonnis in kort geding van 13 november 2025
in de zaak van
[naam vrouw],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Hansma,
tegen
[naam man],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J. Dongelmans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 23 oktober 2025,
- de door de vrouw overgelegde producties;
- de conclusie van antwoord;
- de door de man overgelegde producties;
- de mondelinge behandeling d.d. 30 oktober 2025;
- de pleitnota van de vrouw.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] te Rotterdam op basis van huwelijkse voorwaarden getrouwd. Op 7 juni 2023 hebben partijen nieuwe huwelijkse voorwaarden laten opstellen, op grond waarvan tussen partijen een (volledige) gemeenschap van goederen bestaat.
2.2.
De vrouw is 67 jaar oud en de man 70 jaar oud.
2.3.
De man ontvangt pensioen en een AOW-uitkering. De vrouw in ieder geval een AOW-uitkering.
2.4.
De man heeft tot aan zijn pensionering als ondernemer (belastingadviseur) gewerkt en met het verdiende geld beleggingen gedaan. Thans belegt hij het echtelijke vermogen via een beleggings-b.v.
2.5.
Partijen hebben tot 1 april 2025 gezamenlijk in de echtelijke (koop)woning te Rotterdam gewoond.
2.6.
Per 1 april 2025 is de vrouw in een huurwoning te Rotterdam gaan wonen.
2.7.
De man heeft van maart tot oktober 2025 op onregelmatige tijdstippen geldbedragen aan de vrouw overgemaakt, die neerkomen op een uitkering van ongeveer € 7.000,- per maand.
2.8.
Op 6 juni 2025 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Rotterdam. De man heeft zich bij verweerschrift van 22 augustus 2025 aan dit verzoek gerefereerd. Op 14 oktober 2025 heeft de vrouw een verzoekschrift met aanvullende verzoeken (nevenvoorzieningen), daaronder inzage in bescheiden, ingediend. De man heeft een reactietermijn gekregen tot 11 november 2025.
(Dit geheel zal hierna worden aangeduid als: de verzoekschriftprocedure of de bodemprocedure.)

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 567.020,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, bij wijze van voorschot op de verdeling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn/waren gehuwd, en dit bedrag te voldoen binnen veertien dagen na dit vonnis;
II de man te bevelen om binnen veertien dagen na dit vonnis aan de vrouw te verschaffen:
a. de bescheiden genoemd onder punt 58 van de dagvaarding, dan wel door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen stukken;
b. zulks op straffe van een dwangsom;
III de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Het verweer van de man strekt tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

voorschot op verdeling huwelijksgoederengemeenschap (vordering I)
juridisch kader
4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser(es) op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
aannemelijkheid
4.2.
De huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen (hierna: gemeenschap) is ontbonden op 6 juni 2025 door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding door de vrouw (artikel 1:99 lid 1 onder b BW). Gelet op het toepasselijke huwelijksgoederenregime dient de ontbonden gemeenschap in beginsel bij helfte te worden verdeeld. Niet ter discussie staat dat de gemeenschap een aanzienlijk vermogen bevat. Enige vordering van de vrouw is dus voldoende aannemelijk.
spoedeisend belang
4.3.
De vrouw heeft in de verzoekschriftprocedure verdeling van de gemeenschap gevorderd, maar meent dat zij de beslissing in die zaak niet kan afwachten. Zij wijst op de volgende omstandigheden. De uitspraak in de verzoekschriftprocedure is niet op korte termijn te verwachten. In de tussentijd is er een ongelijk speelveld tussen de man en de vrouw. De man kan over het (grootste deel van het) geld van partijen beschikken en de vrouw blijft hierdoor van hem afhankelijk. Zij heeft geen controle over hoeveel geld zij, en wanneer, van de man ontvangt. Daarnaast heeft zij het voorschotbedrag nodig om daarmee in haar levensonderhoud te voorzien en de kosten van de gerechtelijke procedures, waaronder de advocaatkosten, te betalen,
De man betwist dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot betaling van een voorschot. De man verstrekt regelmatige uitkeringen aan de vrouw, die voldoende zouden moeten zijn om te voorzien in haar levensonderhoud en de kosten van de gerechtelijke procedures te dekken. Dit is totdat een uitspaak in de verzoekschriftprocedure volgt voor beide partijen een werkbare situatie.
4.4.
De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang bij de vordering aanwezig. De vrouw heeft voldoende concreet toegelicht dat het voor haar in hoge mate ongewenst is dat zij voor haar levensonderhoud en financiering van gerechtelijke procedures afhankelijk blijft van periodieke betalingen door de man, te meer daar de man tot nu toe zonder overleg met de vrouw heeft bepaald wanneer deze betalingen plaatsvinden en hoe hoog die zijn. De voorzieningenrechter acht dit een rechtens te respecteren belang. Dit klemt te meer, nu de vrouw middels een scheiding van de man los probeert te komen en partijen daarover een juridisch geschil met elkaar hebben. In die omstandigheden kan in beginsel niet van de vrouw verlangd worden dat zij de uitkomst van de (vermoedelijk nog enige tijd lopende) verzoekschriftprocedure afwacht.
omvang de van de goederengemeenschap, hoogte voorschot en restitutierisico
4.5.
De vrouw geeft aan dat de gemeenschap van goederen bestaat uit een aanzienlijk vermogen met onroerend goed, spaargeld, beleggingen en een onderneming. Onder 26 van de dagvaarding geeft zij een opsomming van de haar bekende vermogensbestanddelen.
Het door haar gevorderde voorschot komt overeen met de helft van het saldo van twee beleggingsrekeningen per 21 maart 2025.
4.6.
De man voert aan dat de vrouw haar kosten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en daarmee de noodzaak van een voorschot. Voorts kan de man op dit moment geen geld vrijmaken voor een voorschot. Het echtelijke vermogen zit vast in de echtelijke woning en in de beleggingen.
4.7.
De man heeft de door de vrouw geschetste omvang van de gemeenschap niet weersproken. Niet gesteld of gebleken is dat zich in de gemeenschap (aanzienlijke) schulden bevinden. De voorzieningenrechter gaat dus van de juistheid van de stellingen van de vrouw over de omvang van de gemeenschap. Daarvan uitgaande acht de voorzieningenrechter toekenning aan de vrouw van een voorschot van € 150.000,- redelijk. Daarbij houdt de voorzieningenrechter rekening met het volgende.
4.8.
Het gerechtvaardigde belang van de vrouw om gedurende de looptijd van de verzoekschriftprocedure in financieel opzicht niet langer aan de leiband van de man te lopen, vergt dat aan haar een voorschot wordt toegekend waarmee zij voorlopig geacht kan worden in vrijheid over haar financiën te beschikken. Het toe te wijzen bedrag acht de voorzieningenrechter in dat verband vooralsnog voldoende, waarbij de voorzieningenrechter aantekent dat de vrouw niet heeft toegelicht waarom zij dient te beschikken over het door haar gevorderde (veel hogere) bedrag. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op basis van haar huidige inkomsten en uitgaven behoefte heeft aan een voorschot van een dergelijke omvang om voorlopig niet afhankelijk te zijn van uitkeringen van de man. Gelet op de omvang van de gemeenschap en op het uitgangspunt van verdeling daarvan bij helfte, staat voorshands vast dat de vrouw ten minste een vordering van deze omvang heeft in het kader van de verdeling van de gemeenschap, waarmee er dus ook geen sprake is van een restitutierisico. Hiertegenover staat het belang van de man om te voorkomen dat vermogensbestanddelen op een ongunstig moment te gelde gemaakt moeten worden, met als gevolg dat deze niet optimaal zullen renderen of zelfs onderhevig worden aan belastingheffing. Dit is wellicht op zichzelf een gerechtvaardigd belang, maar weegt redelijkerwijs minder zwaar dan het hiervoor genoemde belang van de vrouw om van de man los te komen. Bovendien is, gelet op de omvang van gemeenschap, niet aannemelijk dat voor de betaling van het toe te wijzen voorschot de echtelijke woning zal moeten worden verkocht. Dat de man als gevolg van het moeten betalen van een voorschot mogelijk belasting verschuldigd wordt, zal hij voor lief moeten nemen.
4.9.
De vordering zal op de hierna onder 5 te melden wijze worden toegewezen.
inzage in bescheiden (vordering II)
4.10.
Een partij heeft recht op afschrift van of inzage in gegevens die een ander onder zich heeft, als die gegevens betrekking hebben op hun onderlinge rechtsverhouding en als die partij voldoende belang heeft bij die inzage (artikel 194 lid 1 Rv). Inzage kan geweigerd worden als een gewichtige reden zich daartegen verzet (artikel 194 lid 2 sub b Rv).
4.11.
De vrouw voert aan dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage van genoemde - financieel-administratieve - bescheiden, aangezien deze noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de omvang en samenstelling (en uiteindelijke waardering) van de huwelijksgoederengemeenschap, voor correcte vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen en de uiteindelijke vermogensverdeling. Het betreft bescheiden die de man onder zich houdt en die rechtstreeks betrekking hebben op de tussen partijen bestaande betreking.
De man verzet zich tegen inzage in deze bescheiden om de volgende redenen. Nog niet alle financiële stukken zijn opgemaakt. Niet alle bescheiden waarvan de vrouw inzage verzoekt zijn relevant voor de verdeling van de gemeenschap. De stukken die daarvoor wel relevant zijn, zullen door de man worden bij het verweerschrift worden ingebracht in de verzoekschriftprocedure.
4.12.
Per 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Het nieuwe bewijsrecht bevat een regeling voor voorlopige bewijsverrichtingen (art. 196 t/m 204 Rv), waaronder ook wordt begrepen het verzoek tot het verkrijgen van inzage in bepaalde gegevens. Deze nieuwe regeling beoogt een efficiëntere procesvoering te bewerkstellingen door de versterking van de regiefunctie van de rechter. Als een zaak al inhoudelijk wordt behandeld, moeten bewijsverrichtingen via de rechter lopen aan wie de zaak is toebedeeld en moet een voorlopige voorziening de lopende procedure niet doorkruisen. Ofschoon die verplichting niet geldt voor een vordering tot inzage van bescheiden, ligt het wel voor de hand dat die vordering zoveel mogelijk in de bodemprocedure wordt ingesteld.
4.13.
Nu de bodemprocedure tussen partijen reeds loopt, de vordering tot inzage in die procedure is ingesteld en de zaak voor verweer staat, heeft het de voorkeur dat over die vordering wordt beslist door de bodemrechter als regierechter en is voorzienbaar dat een beslissing over die vordering ook op redelijke termijn volgt. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijke vertraging die hiervan onvermijdelijk het gevolg zal zijn redelijkerwijs niet van haar gevergd kan worden. Om deze reden zal de vordering in deze procedure worden afgewezen.
proceskosten (vordering III)
4.14.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 150.000,00, bij wijze van voorschot op de verdeling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn/waren gehuwd, en dit bedrag te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en, in tegenwoordigheid van de griffer, in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.
[2111/1980]