ECLI:NL:RBROT:2025:13381

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/10/676582 / FA RK 24-2504, C/10/682679 / FA RK 24-5302
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:253p lid 2 BWArt. 1:253t BWArt. 1:253v BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap en eenhoofdig gezag over minderjarige kinderen

Partijen zijn in 2019 een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben samen twee minderjarige kinderen, waarvan de man juridisch vader is van het jongste kind en gezamenlijk gezag heeft over beide kinderen. De vrouw verzoekt ontbinding van het geregistreerd partnerschap en het eenhoofdig gezag over beide kinderen. De man stemt in met de ontbinding en het gezag over het jongste kind, maar betwist het verzoek voor het oudste kind.

De rechtbank oordeelt dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht en wijst de ontbinding toe. Voor het oudste kind, waarvan de man juridisch vader is, is sprake van een wijziging van omstandigheden door mishandeling en bedreiging door de man, waardoor gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind is. Voor het jongste kind, waarbij de man geen biologische vader is, is het gezamenlijk gezag op grond van een eerdere beschikking toegekend, maar de rechtbank beëindigt dit na het niet gebruiken van de mogelijkheid door de biologische vader om gezag te verkrijgen.

De rechtbank kent de vrouw het eenhoofdig gezag toe over beide kinderen en wijst verzoeken tot hoofdverblijfplaats en omgangsregeling deels toe en deels af. Ook wordt een onderhoudsbijdrage vastgesteld voor het jongste kind. De verdeling van de gemeenschap van goederen wordt geregeld, waarbij de vrouw de woning krijgt en de man een geldbedrag ontvangt. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Het geregistreerd partnerschap wordt ontbonden en de vrouw krijgt het eenhoofdig gezag over beide minderjarige kinderen toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/676582 / FA RK 24-2504 (ontbinding)
C/10/682679 / FA RK 24-5302 (verdeling)
Beschikking van 5 november 2025 over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm te Rotterdam,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 02 april 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 22 mei 2024;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 juli 2024;
  • het aanvullende verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 17 oktober 2024;
  • het bericht met bijlagen van de man van 2 oktober 2025;
  • de berichten (met bijlagen) van de vrouw van 11 juli 2024 en 18 juli en 3 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw, met instemming van de advocaat van de man, een document overgelegd met daarin de afspraken die partijen hebben gemaakt in aanloop naar de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft dit stuk in het procesdossier gevoegd.
1.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een brief gestuurd naar de juridisch vader van [minderjarige 2] . Hiervoor wordt verwezen naar rechtsoverweging 3.2.6.
1.5.
De minderjarige [minderjarige 2] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt en op 30 september 2025 met de kinderrechter gesproken. Zij heeft verzocht de beslissing van de rechtbank van haar moeder te mogen vernemen, zodat aan haar geen aparte brief zal worden gestuurd.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan te [plaats 2] op [datum] 2019.
2.2.
Partijenzijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.4.
De vrouwis tevens ouder van de minderjarige:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats 2] .
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 juni 2020 zijn partijen op grond van artikel 1:253t BW ook ten aanzien van [minderjarige 2] belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag.
2.6.
De
manis tevens ouder van de minderjarigen:
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2012 te [geboorteplaats 3] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2009 te [geboorteplaats 3] .
2.7.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 maart 2024 is bepaald dat de minderjarigen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd en is de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] .

3.De beoordeling

3.1.
Ontbinding geregistreerd partnerschap en opname convenant en ouderschapsplan
3.1.1.
De vrouw verzoekt ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Zij verzoekt ook opname van het nog over te leggen convenant en ouderschapsplan
3.1.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet. Hij stemt in met het verzoek van de vrouw en verzoekt – bij zelfstandig verzoek – eveneens het geregistreerd partnerschap te ontbinden.
3.1.3.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een partner in het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.1.4.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Zij hebben voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt partijen daarom in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
3.1.5.
De verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap worden, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen. Het verzoek van de vrouw tot opname van het convenant en ouderschapsplan in de beschikking zal worden afgewezen, nu partijen er niet in zijn geslaagd tot overeenstemming te komen.
3.2.
Gezag
3.2.1.
De vrouw verzoekt – na aanvulling – te bepalen dat het gezag over de minderjarigen na ontbinding van het geregistreerd partnerschap alleen aan haar toekomt.
3.2.2.
De man stemt in met het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] . Hij voert gemotiveerd verweer ten aanzien van [minderjarige 1] .
3.2.3.
Gelet op het feit dat voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ten aanzien van de beëindiging van het gezamenlijk gezag verschillende wetsbepalingen van toepassing zijn, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw hieronder behandelen als twee afzonderlijke verzoeken, een ten aanzien van [minderjarige 2] en een ten aanzien van [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
3.2.4.
De rechtbank stelt vast dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige 2] en ook geen ‘ouder’ in de zin van de wet. Hij heeft samen met de vrouw en op gezamenlijk verzoek het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] verkregen op grond van het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking met [minderjarige 2] , conform artikel 1:253t BW.
3.2.5.
Op grond van artikel 1:253v BW, derde lid, is artikel 1:253n BW van overeenkomstige toepassing. In het derde lid van artikel 1:253v BW staat verder dat de rechtbank geen beslissing geeft tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 1:253t BW, dan nadat zij de ouders of de niet met het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het kind de ouders gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten of de niet met het gezag belaste ouder daarmee te belasten.
3.2.6.
Zoals ook met partijen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, constateerde de rechtbank dat voornoemde gelegenheid nog niet was geboden aan de (juridisch) vader van [minderjarige 2] , die ook haar biologisch vader is. De rechtbank heeft dan ook na afloop van de mondelinge behandeling een brief verzonden naar de juridisch vader om hem deze gelegenheid alsnog te bieden. De juridisch vader heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldaan aan het in artikel 1:253v BW, derde lid, genoemde vereiste.
3.2.7.
Op grond van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253n BW, inhoudende dat de man niet meer betrokken is in het leven van [minderjarige 2] . Het verzoek kan dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
3.2.8.
Ingevolge artikel 1:253n BW, tweede lid, jo. 1:251a BW wijst de rechtbank het verzoek toe indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de man en de vrouw en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd onvoldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.2.9.
Gebleken is dat de man en [minderjarige 2] al een hele tijd geen contact meer elkaar hebben. Hun verstandhouding is verslechterd door gebeurtenissen uit het verleden. [minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter verteld dat ze bang is voor de man, geen contact meer met hem wil en dat ze het fijn zou vinden als alleen haar moeder belangrijke beslissingen over haar mag nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag over [minderjarige 2] anderszins in haar belang noodzakelijk is. Bij voorgaand oordeel heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de man het eens is met de vrouw dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de vrouw voortaan het eenhoofdig gezag over haar uitoefent. Het verzoek van de vrouw met betrekking tot [minderjarige 2] zal dan ook worden toegewezen.
[minderjarige 1]
3.2.10.
Van [minderjarige 1] is de man wel de biologisch en ook de juridisch vader. Hij en de vrouw hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag van rechtswege verkregen in verband met hun geregistreerd partnerschap, conform artikel 1:253aa BW, eerste lid. In het tweede lid van voornoemd artikel staat dat de bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van gehuwde en gehuwd geweest zijnde ouders van overeenkomstige toepassing zijn bij ouders met een geregistreerd partnerschap. Er staat ook dat de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag na ontbinding van het geregistreerd partnerschap gezamenlijk blijven uitoefenen.
3.2.11.
Op grond van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, inhoudende dat de man de vrouw heeft mishandeld en bedreigd, en daar ook voor is veroordeeld en de relatie tussen de man en de vrouw feitelijk is geëindigd. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.
3.2.12.
Het gezamenlijk gezag kan na ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood op grond van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:251a worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.2.13.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. De man heeft aangegeven dat hij niet goed weet of hij dit kan. Hoewel het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer met zich brengt dat er geen gezamenlijk gezag kan worden behouden, acht de rechtbank dit met de raad wel van groot belang. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht zijn ouders op dit moment te ver van elkaar verwijderd om gezamenlijk gezagsbeslissingen te kunnen nemen over [minderjarige 1] . De verstandhouding van partijen is zeer verslechterd door de gedragingen van de man. De vrouw is door hem bedreigd en mishandeld en als gevolg daarvan is zij zeer angstig geworden voor de man. Deze angst is versterkt doordat de man het aan hem opgelegde contactverbod heeft geschonden. De vrouw heeft in dat kader aangegeven dat ze bijvoorbeeld niet wil dat de man weet waar zij op vakantie is met de kinderen, hetgeen nodig is voor het verkrijgen van toestemming van de man voor een reis naar het buitenland met de minderjarigen. De rechtbank acht dit, gelet op alles wat er is gebeurd, zeer invoelbaar. Uit de stukken blijkt dat de man zich nog veel bezighoudt met de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling is dit onder meer gebleken uit de opmerking van de man dat hij ongerust werd bij het zien van een foto van de vrouw met een andere man op een datingsite. Hij vond het daarom nodig om de bij partijen en de minderjarigen betrokken hulpverlening hierover te informeren. Dit gedrag acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen. De man kampt met ernstige verslavingsproblematiek en is al lange tijd bezig met zijn herstel. Dit gaat, zoals hij zelf tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, met vallen en opstaan. Hij ziet in dat de vrouw en de minderjarigen behoefte hebben aan rust, maar weet niet hoe hij deze rust kan creëren. Dat de man nog een weg te gaan heeft om zijn zaken op orde te krijgen en een stabiele vader te zijn voor [minderjarige 1] , blijkt ook uit het verloop van de omgang met hem. De omgang wordt al gedurende zeer lange tijd begeleid door Coachpoint. Vanwege de dreigende onveiligheid van [minderjarige 1] acht Coachpoint fysieke omgang, ondanks dat deze begeleid zou worden, niet in het belang van [minderjarige 1] , zodat hij op dit moment alleen belcontacten heeft met zijn vader. Ook die belcontacten bleken niet goed te verlopen doordat de man [minderjarige 1] belastte met bepaalde uitingen, waardoor deze belcontacten inmiddels begeleid worden door twee begeleiders.
Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank beëindiging van het gezamenlijk gezag noodzakelijk in het belang van [minderjarige 1] . De vrouw zal alleen worden belast met het ouderlijk gezag, haar verzoek wordt toegewezen.
3.3.
Hoofdverblijfplaats
3.3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar zal zijn.
3.3.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.3.3.
Aangezien de vrouw, zoals hierboven overwogen, voortaan alleen belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarigen, heeft zij geen belang bij haar verzoek te bepalen waar hun hoofdverblijfplaats is. Zij mag dit als gezaghebbende ouder immers zelf bepalen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
3.4.
Omgangsregeling en raadsonderzoek
3.4.1.
Omdat de vrouw voortaan belast wordt met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen, wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.4.2.
Gebleken is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een omgangsregeling met betrekking tot [minderjarige 1] . De rechtbank zal deze afspraak opnemen in het dictum en de verzoeken ten aanzien van de omgangsregeling van [minderjarige 1] afwijzen wegens gebrek aan belang.
3.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek tot het gelasten van een door de raad te verrichten onderzoek naar de mogelijkheden voor een omgangsregeling met [minderjarige 1] . Partijen zijn immers tot overeenstemming zijn gekomen over de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] , zodat een onderzoek hiernaar geen meerwaarde heeft.
3.4.4.
Met betrekking tot [minderjarige 2] overweegt de rechtbank dat in het lichaam van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man staat dat hij ook een omgangsregeling wil met [minderjarige 2] . Dit verzoek is evenwel niet opgenomen in het petitum en tijdens de mondelinge behandeling is over omgang met [minderjarige 2] ook niet meer gesproken. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de man dit verzoek uit het lichaam niet handhaaft.
3.5.
Onderhoudsbijdrage
3.5.1.
Naar de rechtbank begrijpt, verzoekt de vrouw – na aanvulling van haar verzoek – een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van:
  • a. indien partijen gezamenlijk met het gezag blijven belast over de minderjarigen: € 132,- per maand voor [minderjarige 2] en € 131,- per maand voor [minderjarige 1] , of
  • b. indien het gezamenlijk gezag ten aanzien van [minderjarige 2] wordt beëindigd: € 234,- voor [minderjarige 1] .
3.5.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt, primair, het verzoek van de vrouw af te wijzen en, subsidiair, een bijdrage vast te stellen van € 25,- per maand per kind.
3.5.3.
Met betrekking tot [minderjarige 2] overweegt de rechtbank dat de man vanwege de wijziging van het gezag niet langer onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] . De rechtbank zal het verzoek van de vrouw onder a. dan ook afwijzen. In het verzoek onder b., dat overblijft, verzoekt de vrouw enkel een bijdrage te bepalen voor [minderjarige 1] .
3.5.4.
Gebleken is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de behoefte van [minderjarige 1] (€ 937,- per maand in 2025) en over door de man te betalen kinderbijdrage voor [minderjarige 1] . De rechtbank zal de afspraak over de kinderbijdrage opnemen in het dictum en de verzoeken van partijen ten aanzien van de kinderbijdrage afwijzen gelet op deze bereikte overeenstemming.
3.6.
Afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden
3.6.1.
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden. Kort samengevat zijn zij hierin afgeweken van het huidige wettelijk systeem, in die zin dat tussen hen geen sprake is van een beperkte, maar van een algehele gemeenschap van goederen.
3.6.2.
Gebleken is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de wijze van afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden en de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen. De rechtbank zal de afspraken opnemen in het dictum van deze beschikking en beschouwt de verzoeken van partijen over de wijze van afwikkeling en verdeling hiervan afwijkend als ingetrokken.
3.7.
Proceskosten
3.7.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/676582 / FA RK 24-2504:
4.1.
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan te [plaats 2] op [datum] 2019;
4.2.
bepaalt dat, met ingang van de dag waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarigen:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats 2] , en
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ;
4.3.
verzoekt de vrouw, op grond van artikel 1:253p lid 2 BW, na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand dit te melden bij de griffie van de rechtbank voor aantekening in het gezagsregister;
4.4.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht met betrekking tot [minderjarige 1] hebben getroffen, te weten dat hij bij de man zal zijn in overeenstemming met het advies van de betrokken hulpverlening. Ouders zullen allebei hun medewerking blijven verlenen in het vrijwillig hulpverleningskader, adviezen en afspraken van hulpverlening opvolgen en de man zal zijn medewerking verlenen aan diagnostiek en openheid van zaken geven over zijn behandeling en behandelaren;
4.5.
neemt op de onderlinge regeling die partijen hebben over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , te weten dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking en voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand zal voldoen € 150,- per maand;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/682679 / FA RK 24-5302:
4.6.
neemt op de tussen partijen overeengekomen wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap en de wijze van afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden:
  • de woning aan [adres] te [plaats 1] wordt toegedeeld aan de vrouw voor een waarde van € 485.000,- en zij wordt volledig draagplichtig voor de bijbehorende hypothecaire geldlening, onder de voorwaarde dat de hypotheekgever de man zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de verplichting uit die geldlening. Nu de hypotheekschuld € 274.274,75 beloopt, bedraagt de overwaarde van de woning € 210.725,25. Dit betekent dat beide partijen ongeveer € 105.363,- toekomt, welk bedrag de vrouw uiterlijk op de dag van de levering van de woning aan de man zal voldoen. De levering van het aandeel van de man aan de vrouw zal zo spoedig mogelijk plaatsvinden en uiterlijk zes weken na inschrijving van deze beschikking in het daarvoor bestemde register,
  • de inboedel is al tussen partijen verdeeld en behoeft geen nadere verrekening. Partijen behouden ieder de inboedelgoederen die hij of zij onder zich heeft,
  • iedere partij behoudt de op zijn/haar naam staande (bank)rekening en het daarbij behorende saldo per peildatum. Partijen hebben vastgesteld dat zij op dit punt over en weer niets van elkaar te vorderen hebben,
  • de rekeningen op naam van de minderjarigen en de bijbehorende saldi komen toe aan de minderjarigen. Deze rekeningen en saldi blijven buiten de verdeling;
  • de auto van het merk Renault met [kenteken 1] is door de vrouw verkocht en de opbrengst heeft de vrouw gebruikt om het krediet bij Renault financial services volledig af te lossen. Voor zover de vrouw een bedrag na aflossing van het krediet overhield, komt dit bedrag haar volledig toe zonder nadere verrekening met de man;
  • de auto van het merk Hyundai met [kenteken 2] wordt toegedeeld aan de man zonder dat hij gehouden is een bedrag aan de vrouw te voldoen,
  • de boot Veha kruiser [vaartuig] wordt toegedeeld aan de man zonder dat hij gehouden is een bedrag aan de vrouw te voldoen,
  • de crypto-tegoeden worden toegedeeld aan de man zonder dat hij gehouden is een bedrag aan de vrouw te voldoen,
  • partijen hebben na uitvoering van voornoemde afspraken niets meer van elkaar te vorderen en zij zullen elkaar ter zake over en weer finale kwijting verlenen;
in beide procedures:
4.7.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 5 november 2025.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.