3.4.Onderhoudsbijdragen
3.4.1.De vrouw verzoekt te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met een bedrag van € 346,- per maand, net als dat de man moet bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van
€ 1.500,- per maand.
3.4.2.De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.De man stelt allereerst dat de verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen, omdat zij haar verzoeken niet voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank wijst erop dat deze procedure bedoeld is voor het treffen van een ordemaatregel. Dat een minderjarige geld kost en dat de man daarin dient bij te dragen, is voldoende voor de rechtbank om in ieder geval dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Hetzelfde geldt in minder mate maar toch vergelijkbaar voor de partnerbijdrage. Het primaire verweer van de man wordt dan ook verworpen.
3.4.4.De vrouw verzoekt de voorlopige kinderbijdrage vast te stellen met ingang van de datum indiening van het verzoekschrift.
3.4.5.De man verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 21 augustus 2025, zal worden vastgesteld.
3.4.6.De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2025, te verhogen met het kindgebonden budget.
3.4.7.Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt en dat het netto besteedbaar gezinsinkomen werd bepaald door het inkomen van de man. Zij zijn het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan in 2025 € 3.142,- per maand bedraagt, zoals volgt uit de berekening van de man.
3.4.8.Het netto gezinsinkomen wordt verhoogd met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen. Uit productie 8 van de vrouw blijkt dat partijen in 2025 een kindgebonden budget hebben ontvangen van € 7.778,- per jaar, ofwel € 648,- per maand. Het kindgebonden budget heeft betrekking op [minderjarige 1] en de twee andere kinderen van de vrouw. De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat het volledige kindgebonden budget moet worden meegenomen bij de bepaling van het netto besteedbaar gezinsinkomen.
Daarmee bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen
€ 3.790,- per maand.
3.4.9.Partijen verschillen van mening over de vraag van welke tabel eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan. De rechtbank deelt de mening van de vrouw dat uitgegaan moet worden van de tabel van 2025 voor drie kinderen, omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie waarin [minderjarige 1] deel uitmaakte van een gezin met drie minderjarige kinderen. Ongeacht de vraag of de man onderhoudsplichtig is jegens de andere kinderen van de vrouw, heeft hun aanwezigheid in het gezin invloed op de kosten van [minderjarige 1] . Uit de tabel eigen aandeel kosten kinderen volgt voor drie kinderen volgt een behoefte van € 837,- per maand. De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 1] op € 279,- per maand.
3.4.10.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.11.Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
3.4.12.Tussen partijen is niet in geschil dat ook voor de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan wordt van zijn huidige netto besteedbaar inkomen van € 3.142,- per maand en dat de man een draagkracht heeft van € 623,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de berekening van de man, overgelegd (productie 3, berekening 5 Draagkrachtberekening), met welke berekening de vrouw heeft ingestemd en door de rechtbank wordt overgenomen.
3.4.13.Ten overvloede overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de financiële afspraken die partijen bij Veilig Thuis hebben gemaakt. Partijen betichten elkaar van het niet-nakomen van deze afspraken. Daarover kan de rechtbank in deze procedure niets beslissen. De financiële afspraken van Veilig Thuis komen te vervallen met het vaststellen van een kinderbijdrage door de rechtbank per 21 augustus 2025. Dat betekent ook dat partijen gehouden zijn hun eigen aandeel van de woonlasten te voldoen en dat het kindgebonden budget aan de vrouw als verzorgende ouder toekomt. Partijen zijn het erover eens dat de door de man te betalen woonlast van de echtelijke woning gelijk is aan de forfaitaire woonlast en er geen aanleiding is om – in geval van een tekort aan draagkracht - af te wijken van de forfaitaire woonlast in de draagkrachtformule.
3.4.14.Ter discussie staat het inkomen van de vrouw. De vrouw heeft niet gewerkt tijdens het huwelijk en heeft op dit moment geen inkomen uit arbeid of uitkering. De man stelt zich op het standpunt dat desondanks uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.500,- bruto per maand.
3.4.15.Los van het feit dat in het kader van voorlopige voorzieningen geen ruimte is voor nader feitelijk onderzoek naar de verdiencapaciteit van de vrouw, acht de rechtbank het toekennen van verdiencapaciteit aan de vrouw op dit moment ook niet reëel. De vrouw heeft op dit moment de volledige zorg voor drie minderjarige kinderen en heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij op korte termijn therapieën zal ondergaan vanwege de gebeurtenissen die zich tussen partijen hebben voorgedaan. De vrouw is aan het solliciteren, maar heeft nog geen zicht op een baan en heeft nog geen uitkering op grond van de Participatiewet. Op basis van de afspraken die bij Veilig Thuis zijn gemaakt, heeft de vrouw de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen sinds het uiteengaan voor haar rekening genomen. In strijd met deze afspraken heeft de man het kindgebonden budget niet aan de vrouw doorgestort, zodat de vrouw voor het voldoen van deze kosten heeft moeten interen op het spaargeld dat zij heeft uit de verkoop van haar woning. Indien in deze situatie uitgegaan wordt van een fictief inkomen van de vrouw van € 2.500,- bruto per maand, acht de rechtbank voorstelbaar dat de vrouw in financiële nood zal komen te verkeren met als gevolg dat (ook) niet volledig kan worden voorzien in de kosten van de minderjarige. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de feitelijke situatie waarin de vrouw geen inkomen heeft. Dat laat onverlet dat daarover in de bodemprocedure anders geoordeeld kan worden.
3.4.16.Het huidige NBI van de vrouw wordt vastgesteld op het kindgebonden budget van € 648,- per maand dat zij vanaf nu ontvangt. Omdat de vrouw de verzorgende ouder is, wordt gelet op het rapport geen draagkracht aangenomen.
3.4.17.De man kan met zijn draagkracht volledig voorzien in de behoefte van de minderjarige.
3.4.18.De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw voert verweer en acht een zorgkorting van maximaal 15% redelijk.
3.4.19.Gezien de nu vast te stellen zorgregeling acht de rechtbank een zorgkorting van 5% passend. Volgens deze regeling heeft de man minder dan één dag per week omgang met de minderjarige.
3.4.20.Omdat de behoefte van de minderjarige € 279,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 14,- per maand.
3.4.21.De eerder berekende bijdrage van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 265,- per maand.
3.4.22.Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 265,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.23.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.24.Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de partnerbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
3.4.25.Uitgangspunt van de wet is datum beschikking. De vrouw heeft onvoldoende gesteld waarom in deze van een andere datum uitgegaan dient te worden. Daarom zal de rechtbank de datum van deze beschikking als ingangsdatum vaststellen.
3.4.26.De man betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte van € 2.268,- netto per maand. Uit zijn berekening volgt dat de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte heeft van € 1.440,- netto per maand.
3.4.27.De rechtbank overweegt dat medebepalend voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde de welstand is waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd. Verder zijn alle relevante omstandigheden van belang waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk, aan de hand waarvan wat betreft de kosten van het levensonderhoud het inkomensniveau kan worden bepaald waarop de onderhoudsgerechtigde na beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of de met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald. Het voorafgaande komt er op neer dat de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie maatwerk is, maar daarvoor is in deze procedure gelet op de aard daarvan geen plaats. De netto behoefte van de vrouw zal dan ook worden berekend aan de hand van de zogenaamde “hofnorm”, een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbare gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner wordt de helft van het te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan dan gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen.
3.4.28.Zoals hiervoor berekend, bedroeg het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief het kindgebonden budget in totaal € 3.790,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de drie tijdens het huwelijk tot het gezin behorende kinderen van € 837,- per maand. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 1.772,- per maand.
3.4.29.Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank er ook in dit kader vanuit dat de vrouw geen inkomen heeft.
3.4.30.De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen. Op basis van een inkomensvergelijking stelt de man een bijdrage van € 345,- bruto per maand te kunnen voldoen.
3.4.31.De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
3.4.32.De rechtbank zal uitgaan van het netto besteedbaar inkomen van de man van
€ 3.142,- per maand, omdat partijen het daarover eens zijn.
3.4.33.De draagkracht van de man wordt, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 533,- per maand.
3.4.34.Na aftrek van de kinderbijdrage van € 265,- verhoogd met de zorgkorting van in totaal € 14,- per maand resteert een bedrag van € 254,- netto per maand, ofwel € 406,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
3.4.35.Omdat de vrouw geen inkomen heeft, is een inkomensvergelijking niet aan de orde.
3.4.36.Derhalve is een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van
€ 406,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.4.37.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.