Art. 3:300 lid 2 BWArt. 10 lid 4 samenlevingsovereenkomst
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening exclusief gebruik gezamenlijke woning en omgang minderjarige na relatiebreuk
Partijen, voormalige partners met een minderjarige en een meerderjarige zoon, wonen samen in een gezamenlijke koopwoning. Na de relatiebreuk zijn de verhoudingen ernstig verstoord, waardoor zij niet meer samen kunnen wonen. De man vordert exclusief gebruik van de woning, terwijl de vrouw dit ook vordert en daarnaast een co-ouderschapsregeling en medewerking aan verkoop van de woning verlangt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen van partijen een groter belang heeft bij exclusief gebruik van de woning, mede vanwege het belang van de minderjarige voor contact met beide ouders. Daarom wordt toegewezen dat partijen om en om de woning gebruiken, met wisselmomenten op zondag 19.00 uur, waarbij de man als eerste de woning moet verlaten. De vorderingen tot exclusief gebruik en tot medewerking aan verkoop worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.
De vrouw vordert ook een co-ouderschapsregeling en afgifte van een externe harde schijf; deze vorderingen worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang of betwisting bezit. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Partijen krijgen om en om het exclusieve gebruik van de gezamenlijke woning met wisselmoment op zondag 19.00 uur toegewezen, overige vorderingen worden afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Familierecht
Zaaknummer: C/10/706966 / KG ZA 25-947
Vonnis in kort geding van 29 oktober 2025
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats ],
eisende partij in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. Chr. E. Pfeiffer,
tegen
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats ],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.M. Smeets.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie;
- het bericht van de man van 30 september 2025 met bijlagen;
- het bericht van de man van 8 oktober 2025 met bijlagen;
- het bericht van de man van 13 oktober 2025 met bijlagen;
- het bericht van de man van 14 oktober 2025 met een bijlage;
- het bericht van de vrouw van 14 oktober 2025 met een bijlage.
1.2.
De zaak is behandeld op 15 oktober 2025,
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam].
1.3.
Het kort geding is gezamenlijk behandeld met het verzoek van de man tot onder meer het verkrijgen van gezamenlijk gezag (C/10/707139, FA RK 25-1794). In de verzoekschriftprocedure is de beschikking gepland op 12 november 2025.
1.4.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken heeft de kinderrechter na de mondelinge behandeling online met [minderjarige] gesproken.
2.De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, aan welke relatie inmiddels een einde is gekomen.
2.2.
Het nog minderjarige kind van partijen is:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1].
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.5.
Partijen hebben ook een meerderjarige zoon: [meerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2005 te [geboorteplaats 2].
2.6.
Partijen wonen met beide kinderen samen in hun gezamenlijke koopwoning, staande en gelegen aan het [adres] (verder: de gezamenlijke woning).
3.Het geschil in conventie en in reconventie
3.1.
De man vordert de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na het te dezen te wijzen vonnis de gezamenlijke woning te verlaten en niet meer te betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke is.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
De vrouw vordert in reconventie:
I. ten aanzien van het voorlopig exclusief gebruik van de gezamenlijke woning:
primair: de man te veroordelen om binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis de gezamenlijke woning van partijen, te verlaten en niet meer te betreden, althans binnen een zodanige andere termijn als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- per dag of dageel dat de man daarmee in gebreke is;
subsidiair:
o de man te veroordelen om eraan mee te werken dat de man respectievelijk de vrouw om de week afwisselend in de gezamenlijke woning zal verblijven, en waarbij het wisselmoment zondag 19.00 uur zal zijn, en de man te veroordelen om in de week waarin de vrouw met de kinderen in de gezamenlijke woning verblijft, deze tijdig en opgeruimd voor de vrouw te verlaten en deze niet meer te betreden tot de zondagavond 19.00 uur waarop de eigen week van de man met de kinderen in de gezamenlijke woning aanvangt, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke is;
o de man te veroordelen om eraan mee te werken dat daarnaast een gezamenlijk tijdelijk onderkomen wordt aangezocht en geregeld, waarin partijen de andere week dan afwisselend kunnen verblijven;
meer subsidiair: een zodanig vonnis te wijzen ten aanzien van het voorlopige exclusief gebruik van de gezamenlijke woning als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
II. ten aanzien van de kosten:
de man te veroordelen om de kosten van de gezamenlijke woning te voldoen, alsook de kosten van een al dan niet gedeeld en ander onderkomen, althans om een zodanige (gebruiks)vergoeding te voldoen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, althans een zodanig vonnis te wijzen ten aanzien van de kosten van de gezamenlijke woning en van een al dan niet gedeeld ander onderkomen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
III. ten aanzien van de verkoop van de gezamenlijke woning:
de man te veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van de gezamenlijke woning van partijen en wel door:
o de man te veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van het door de voorzieningenrechter ten deze te wijzen vonnis in kort geding samen met de vrouw aan [makelaar 1] te Hellevoetsluis of aan [makelaar 2] te Hellevoetsluis of aan een door de voorzieningenrechter andere aan te wijze plaatselijk bekende makelaar de verkoopopdracht te verstrekken, waarbij – als partijen er samen niet in zouden slagen om af te spreken voor welke vraagprijs de woning in de verkoop gaat – de makelaar zal bepalen voor welke vraagprijs de gezamenlijke woning in de verkoop gaat;
o te bepalen dat als de man na betekening van dit vonnis en na ommekomst van genoemde termijn niet aan de verkoopopdracht zijn medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de man benodigd voor die rechtshandeling;
o te bepalen dat partijen de kosten voor de makelaar ieder voor de helft zullen dragen;
o de man te veroordelen om op eerste verzoek van de makelaar al datgene te doen of na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht van de gezamenlijke woning te komen en om zijn medewerking te verlenen aan en toegang tot de woning te verschaffen voor bezichtigingen dor de makelaar en potentiële kopers en te bepalen dat de man een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere keer dat hij na betekening van het vonnis hieraan niet zijn medewerking verleent;
o te bepalen dat de man binnen 5 dagen na ontvangst van een bod op de gezamenlijke woning, dat door de makelaar als een marktconform redelijk bod wordt aangemerkt, moet laten weten of hij dit bod accepteert;
o te bepalen dat als de man na betekening van dit vonnis en na ommekomst van genoemde termijn niet aan dit bod zijn medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de man benodigd voor die rechtshandeling;
o de man te veroordelen om op eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst van de gezamenlijke woning;
o te bepalen dat als de man niet op eerste verzoek van de makelaar hieraan zijn medewerking verleent dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de man benodigd voor het tot stand komen van de koopovereenkomst;
o de man te veroordelen om op eerste verzoek van de notaris mee te werken aan de levering van de gezamenlijke woning aan de toekomstige koper(s) ten overstaan van de door de koper aan te wijzen notaris of diens plaatsvervanger;
o te bepalen dat als de man niet op eerste verzoek van de notaris aan de levering van de gezamenlijke woning zijn medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de man benodigd voor de notariële levering van de gezamenlijke woning aan koper(s);
althans en zodanig vonnis te wijzen ten aanzien van de verkoop en levering van de gezamenlijke woning als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
IV. ten aanzien van de harde schijf:
de man te veroordelen om binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis aan de vrouw af te geven de externe harde schijf van WD Elements 1 terrabite, met daarop alle foto’s van de vrouw waaronder ook die van de kinderen, haar documenten en werkgerelateerde gegevens, e.d., althans binnen een zodanige andere termijn als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke is;
V. ten aanzien van de zorg met betrekking tot de minderjarige:
de man te veroordelen om mee te werken aan een co-ouderschapsregeling tussen partijen waarbij de kinderen – of in ieder geval de minderjarige zoon van partijen – als volgt bij de vrouw respectievelijk bij de man zal zijn:
o in de periode zonder vakanties zullen de kinderen, althans de minderjarige zoon van partijen, om de week bij ieder van de ouders verblijven en waarbij het wisselmoment 19.00 uur is;
o voor de zomervakanties geldt dat de kinderen, althans de minderjarige zoon van partijen, in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw zal verblijven en de laatste drie weken bij de man. In de oneven jaren is dit andersom;
o voor de overige vakanties geldt dat de kinderen, althans de minderjarige zoon van partijen, het even jaar bij de vrouw zijn en de oneven jaren bij de man;
en te bepalen dat de man een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van
€ 500,- voor iedere keer dat hij na betekening van het vonnis hieraan niet zijn medewerking verleent;
althans een zodanige beslissing te nemen ten aanzien van de zorg met betrekking tot de minderjarige zoon van partijen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
kosten rechtens.
3.4.
De man voert verweer tegen de vorderingen in reconventie.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
I. Het voorlopig exclusief gebruik van de gezamenlijke woning
4.1.
Gelet op de onderlinge samenhang van de vorderingen, zal de voorzieningenrechter het door de man in conventie gevorderde en het door de vrouw in reconventie onder I gevorderde gezamenlijk beoordelen.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.3.
Vaststaat dat geen van partijen in staat is de gezamenlijke woning over te nemen en de woning dus op enig moment zal moeten worden verkocht. De verhoudingen tussen partijen zijn sinds de relatiebreuk inmiddels zodanig verslechterd dat zij niet meer samen onder één dak kunnen blijven wonen. Daarover zijn partijen het eens. Geen van beiden heeft op dit moment concreet zicht op andere woonruimte op korte termijn, zodat zij ook allebei een spoedeisend belang hebben bij een beslissing van de voorzieningenrechter over het exclusief gebruik van de gezamenlijke woning. De voorzieningenrechter zal overgaan tot de materiële beoordeling van de vorderingen.
De materiële beoordeling
4.4.
Beide partijen vorderen (primair) het exclusief gebruiksrecht van de gezamenlijke woning.
4.5.
Als niet ter zake doend gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de verwijten die partijen elkaar maken over de inspanningen die zij al dan niet in voldoende mate hebben gedaan om andere woonruimte te verkrijgen. Vastgesteld kan worden dat beide partijen in hetzelfde schuitje zitten: geen van beiden heeft op korte termijn zicht op andere woonruimte die geschikt is om met de minderjarige te verblijven. Zij hebben daarmee een even groot belang bij het gebruik van de gezamenlijke woning. Ook staat buiten kijf het belang dat de minderjarige (met zijn oudere broer) in de gezamenlijke woning zal blijven wonen.
4.6.
De man stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat de vrouw verward gedrag vertoont, dat de situatie hierdoor onveilig is geworden en dat de minderjarige expliciet te kennen heeft gegeven bij de man te willen blijven wonen. Hij stelt met name op deze grond een groter belang te hebben bij het gebruik van de gezamenlijke woning dan de vrouw. De vrouw betwist dat er bij haar sprake is van psychische problemen of onveiligheid en stelt dat de man zijn eigen aandeel in de ontstane situatie ontkent. Volgens de vrouw verloopt het één op één contact met de minderjarige en zijn beide ouders goed en zitten de spanningen vooral tussen partijen. De voorzieningenrechter acht het kwalijk dat de man de mentale gesteldheid en daarmee ook de opvoedcapaciteiten van de vrouw in twijfel trekt, zonder dat daarvoor objectieve aanwijzingen zijn. Uit de door de man overgelegde stukken van betrokken instanties blijkt niet dat de situatie voor de minderjarige onveilig is of dat er sprake is van ongeschiktheid van één van partijen om voor de minderjarige te zorgen. Zoals de vrouw ook stelt, lijkt er sprake te zijn van een overbelaste, overspannen thuissituatie als gevolg van de ontstane impasse.
4.7.
De wijze waarop partijen nu met elkaar omgaan toont de ernst van de strijd die wordt gevoerd over de gezamenlijke woning, maar laat ook zien dat dit ten koste gaat van het belang van de minderjarige om onbelast contact te hebben met zijn beide ouders. Beide partijen hebben een wezenlijk aandeel gehad in de zorg voor de minderjarige en hebben er ook allebei belang bij dat dit kan worden gecontinueerd.
4.8.
De voorzieningenrechter deelt de zorg van de vrouw dat de man bij toewijzing van zijn vordering niet heeft voorzien in een omgangsregeling tussen de vrouw en de minderjarige en dit volledig bij haar laat. Omgekeerd heeft de man bij de voorzieningenrechter geen omgangsregeling gevorderd voor het geval zijn vordering wordt afgewezen. Over het voorstel van de vrouw om opnieuw over te gaan tot ‘birdnesting’, waarbij zij om en om met de minderjarige in de woning verblijven, zijn partijen het niet eens geworden. Omdat partijen op dit moment niet in staat zijn met elkaar te overleggen en afspraken te maken over de verdeling van de zorg voor de minderjarige, acht de voorzieningenrechter een reëel risico aanwezig dat toewijzing van het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning aan de één ten koste zal gaan van de ander en zal leiden tot contactverlies tussen de woningverlater en de minderjarige. Omdat partijen allebei een aandeel hebben in het ontstaan en de instandhouding van deze situatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de één niet een groter belang heeft bij toekenning van het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning dan de ander. Dit leidt tot afwijzing van de vordering van de man en de primaire vordering van de vrouw om het exclusief en uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning te verkrijgen.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een gelijkwaardig en onbelast contact met beide ouders het meest kan worden gewaarborgd wanneer partijen voorlopig om en om ieder een week met de minderjarige in de gezamenlijke woning verblijven. Dit zal de meeste rust en stabiliteit in de situatie kunnen brengen, omdat partijen dan beiden voor de minderjarige kunnen zorgen en beiden in ieder geval gedurende een week een vaste woonplek hebben. Dit sluit aan bij de vordering van de vrouw. De voorzieningenrechter zal partijen om en om het uitsluitend gebruik toekennen, met wisselmoment op zondag om 19.00 uur. Omdat de vordering van de vrouw wordt toegewezen, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de man als eerste de woning dient te verlaten en wel uiterlijk op zondag 2 november 2025 19.00 uur en daar pas weer op zondag 9 november 2025 19.00 uur mag terugkeren.
4.10.
De vrouw vordert subsidiair verder nog om de man te veroordelen mee te werken aan het vinden van een gezamenlijk tijdelijk onderkomen, waarin partijen de andere week afwisselend kunnen verblijven. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen. Het is juist van belang dat partijen loskomen uit de situatie waarin zij afhankelijk zijn van elkaar. Het is ieders eigen verantwoordelijkheid, ook in financiële zin, om andere woonruimte te vinden voor de week waarin zij niet in de gezamenlijke woning kunnen verblijven. Overigens zal het makkelijker zijn om voor zichzelf en voor steeds afwisselend één week een slaapplek te vinden, zonder daarbij rekening te hoeven houden met een ander. Ook hoeft deze tijdelijke plek niet geschikt te zijn om [minderjarige] te ontvangen.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat het noodzakelijk is dat partijen hun focus verleggen van de positie waarin zij ten koste van de minderjarige tegen elkaar strijden om de woning, naar een vorm van gezamenlijk ouderschap waarin zij in het belang van de minderjarige als ouders naast elkaar komen te staan, zodat er een nieuw evenwicht kan ontstaan. Beide partijen zullen zich daarvoor strikt aan de omgangsregeling moeten houden. Om er zeker van te zijn dat de birdnestregeling wordt nagekomen, zal de voorzieningenrechter aan de niet-nakoming een dwangsom verbinden. De voorzieningenrechter zal de dwangsom in duur beperken tot een jaar na afgifte van dit vonnis.
4.12.
Het subsidiair door de vrouw gevorderde wordt, behalve ten aanzien van de vervangende woonruimte, toegewezen zoals hierna vermeld. Het meer subsidiair gevorderde behoeft geen bespreking meer.
II. De kosten van de gezamenlijke woning
4.13.
De vrouw vordert de man te veroordelen om de kosten van de gezamenlijke woning te voldoen, alsook de kosten van een al dan niet gedeeld ander onderkomen, althans om een (gebruiks)vergoeding te voldoen. De vrouw stelt dat zij, anders dan de man, geen financiële middelen heeft om andere woonruimte te huren. Vanwege het verschil in draagkracht acht zij het, met een beroep op de samenlevingsovereenkomst, redelijk om de man te veroordelen tot het betalen van een redelijke vergoeding. De hoogte van de vergoeding wordt door haar gesteld op de kosten van de gezamenlijke woning en een al dan niet gedeeld ander onderkomen.
4.14.
De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen. Partijen verblijven om en om in de gezamenlijke woning en hebben nog steeds ieder de helft van het gebruik. Er is geen sprake van uitsluitend gebruik zodat er geen reden is voor een vergoeding op grond van artikel 10 lid 4 vanPro de samenlevingsoverkomst. Er is geen reden voor een andere verdeling van de lasten van de woning dan partijen in artikel 4 vanPro de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen en tot nu toe steeds hebben uitgevoerd, te weten naar evenredigheid van inkomen. Dat de vrouw geen financiële middelen heeft om andere woonruimte te huren, komt – net als bij de man – voor haar eigen verantwoordelijkheid.
III. De verkoop van de gezamenlijke woning
4.15.
De vrouw vordert de man te bevelen tot medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning.
4.16.
De man erkent dat verkoop van de gezamenlijke woning onvermijdelijk is en deelt de mening van de vrouw dat beide partijen belang hebben bij verkoop van de woning vanwege het daaruit vrij te komen vermogen, maar er is volgens hem geen reden dat op stel en sprong moet worden overgegaan tot verkoop van de woning. De man verzet zich daar ook tegen. Partijen hebben niet eerder concreet gesproken over de verkoop van de woning. Volgens de man ontbreekt het spoedeisend belang aan de vordering.
4.17.
De voorzieningenrechter is met de man van oordeel dat niet is gebleken van een spoedeisend belang voor de verkoop van de woning op korte termijn. Partijen en de minderjarige zijn op dit moment het meest gebaat bij rust en stabiliteit. De birdnestregeling, die vanaf nu zal gelden, geeft beide partijen tijdelijk de rust en ruimte om alternatieve woonruimte te vinden voor een duurzaam verblijf die ook geschikt is om ook de minderjarige te kunnen huisvesten. Toewijzing van de vordering van de vrouw zal dit doorkruisen en de spanning en druk op het woonthema terugbrengen, terwijl dit tussen partijen nog niet (voldoende) besproken was en de man zich hier mogelijk nog onvoldoende op heeft kunnen voorbereiden. Het is niet het juiste moment. Gelet op de overspannen woningmarkt bestaat de kans dat bij een snelle levering van de woning alsnog één van beide partijen geen passend alternatief heeft gevonden en dan zijn partijen weer terug bij af. De voorzieningenrechter acht het van belang dat partijen eerst de gelegenheid krijgen om een duurzame en ook voor de minderjarige geschikte woonruimte te vinden. Hierbij is wel haast geboden: beide partijen moeten in de actiestand komen. De vordering van de vrouw zal nu bij gebrek aan spoedeisend belang worden afgewezen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter dat dit partijen niet ontslaat van hun verantwoordelijkheid om actief te blijven zoeken naar andere woonruimte. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat de vordering een volgende keer wel kan worden toegewezen, als blijkt dat één van partijen het actief zoeken naar een passend alternatief traineert.
IV. Afgifte van de harde schijf
4.18.
De vrouw vordert om de man te veroordelen tot afgifte van de externe harde schijf. De man heeft betwist dat hij deze in bezit heeft, zodat de vordering zal worden afgewezen.
V. Ten aanzien van de zorg met betrekking tot de minderjarige
4.19.
De vrouw vordert een co-ouderschapsregeling vast te stellen en een verdeling van de vakanties op te nemen.
4.20.
Omdat de minderjarige in de gezamenlijke woning verblijft en partijen om en om bij hem verblijven, is er in het kader van dit kort geding geen belang bij het bepalen van een co-ouderschapsregeling. Voor het bepalen van een (daarvan afwijkende) verdeling van de vakanties, ontbreekt het spoedeisend belang. De vordering van de vrouw onder V. zal worden afgewezen.
4.21.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de man eraan mee te werken dat partijen om de week afwisselend met de minderjarige in de gezamenlijke woning aan het [adres] zullen verblijven, waarbij het wisselmoment op zondag om 19.00 uur zal zijn, waarbij de man de woning tijdig en opgeruimd voor de vrouw dient te verlaten, voor het eerst op zondag 2 november 2025 om 19.00 uur, en deze niet verder te betreden tot zondag 9 november 2025 om 19.00 uur waarop de eigen week van de man met de minderjarige in de gezamenlijke woning aanvangt en zo verder;
5.2.
veroordeelt de man tot nakoming van het onder 5.1 bepaalde op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat hij daarmee in gebreke is gemaximeerd tot 29 oktober 2026;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.L. Raphael en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.