ECLI:NL:RBROT:2025:13441

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/685198 / FA RK 24-6506
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing onbegeleide omgangsregeling en dwangsom met informatieregeling en perspectief op contactherstel

De rechtbank Rotterdam behandelde op 14 november 2025 een zaak over de omgangsregeling tussen een man en zijn minderjarige kinderen. De man verzocht om een onbegeleide omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom, maar de rechtbank stelde vast dat dit op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De man heeft onvoldoende aangetoond dat hij het contact kan herstellen en heeft niet voldaan aan eerdere opdrachten, zoals het regelmatig sturen van kaartjes en het informeren van de vrouw over zijn ervaringen bij het Wijkteam.

De rechtbank benadrukte dat de man geen hulp of bemoeienis wenst bij het contactherstel, waardoor ook professionele omgangsbegeleiding niet haalbaar is. De minderjarigen hebben al geruime tijd geen contact met de man, hoewel zij het verder goed doen. De rechtbank adviseert de man om via e-mail belangstellend te reageren op informatie van de vrouw en met verjaardagen een bericht te sturen om zo zijn betrokkenheid te tonen en perspectief op contactherstel te bieden.

De informatieregeling blijft van kracht, waarbij de vrouw de man maandelijks informeert over de minderjarigen. De rechtbank wijst het verzoek tot dwangsom af en bepaalt dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek tot onbegeleide omgangsregeling en dwangsom wordt afgewezen, informatieregeling blijft van kracht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/685198 / FA RK 24-6506
Beschikking van 14 november 2025 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 12 juni 2025.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling (hierna: mondelinge behandeling) van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door mr. A.C. van der Glas als waarneemster van mr. Van 't Hek voornoemd;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De minderjarige [minderjarige 1] is uitgenodigd om aan de kinderrechter haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De verdere beoordeling

Omgangsregeling
2.1.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 12 juni 2025 de beslissing over een omgangsregeling als verzocht door de man wederom aangehouden. De rechtbank verwijst naar wat daarover is opgenomen in die beschikking.
2.2.
De rechtbank acht onbegeleide omgang op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen en zal daarom het verzoek van de man afwijzen om, kort gezegd, een omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom vast te stellen. De man heeft tot nu toe onvoldoende laten zien dat hij in staat is om het contact met de minderjarigen te herstellen. Zo heeft hij de vrouw nog altijd niet geïnformeerd over wat hij heeft opgestoken bij het Wijkteam over omgang met kinderen. Verder heeft hij maar één keer een kaartje gestuurd naar de minderjarigen. De opdracht die hij (bij herhaling) van de rechtbank had gekregen was echter: één kaartje per maand, zodat het contact met de minderjarigen stap voor stap op gang zou komen. Zelfs al zou deze opdracht te moeilijk zijn geweest voor de man, hij heeft ook nagelaten om op tijd aan de bel te trekken, bijvoorbeeld door hulp te vragen aan iemand die hem wél kon helpen bij het versturen van kaartjes of bij het opstellen van een verslag over zijn ervaringen bij het Wijkteam. De man wil echter geen hulp of bemoeienis bij het op gang brengen van contact tussen hem en de minderjarigen. Dat heeft hij tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd laten weten. Met deze houding van de man vervalt ook de optie van contactherstel via professionele omgangsbegeleiding. Als de man hulpverlening niet ziet zitten, omdat hij teleurgesteld en moegestreden is, is het ook maar zeer de vraag of hij afspraken kan nakomen in het kader van professionele omgangsbegeleiding. Zoals de raad ook tijdens de mondelinge behandeling toelichtte, is omgangsbegeleiding niet in het belang van de minderjarigen als partijen niet bereid zijn om zich hiervoor serieus in te zetten.
2.3.
De rechtbank heeft gezien dat de man veel verdriet heeft dat de behandeling van zijn verzoek nu al enige tijd duurt, maar de man lijkt (in al zijn boosheid en verdriet) niet te begrijpen dat het verloop van de procedure ook samenhangt met het feit dat hij niet heeft gedaan wat hem tot twee keer toe is gevraagd door de rechtbank. De stand van zaken is op dit moment dat de minderjarigen al enige tijd geen contact hebben met de man; zij hebben hem niet gezien en op één kaartje na hebben zij ook niets van hem gehoord. Hoewel de minderjarigen het goed doen, hebben zij ook zorg en aandacht nodig. Zo is de hulpverlening nog altijd betrokken bij [minderjarige 1] en staat [minderjarige 2] op de wachtlijst bij Yulius. Gelet op al deze feiten en omstandigheden is onbegeleide omgang geen haalbare optie op dit moment. De rechtbank begrijpt dat dit een zeer teleurstellende uitkomst is voor de man en dat het contactverlies wat al geruime tijd bestaat, zal blijven voortduren. Om hierin verandering te brengen is het noodzakelijk dat de man zich anders gaat opstellen. Hij kan dat doen door belangstellend te reageren (via de e-mail) wanneer de vrouw hem informeert over de minderjarigen. Dat is dus wat anders dan in discussie gaan met haar over zaken die hem niet bevallen of kwesties waar hij anders over denkt.
2.4.
Verder kan de man met verjaardagen van de minderjarigen een e-mailbericht sturen aan de vrouw waarin hij de minderjarigen een fijne verjaardag toewenst. Zo kunnen de minderjarigen later teruglezen dat de man, ook toen zij hem niet zagen, aan hen heeft gedacht als zij jarig waren. De man kan op die manier zijn betrokkenheid bij de minderjarigen tonen en dat biedt perspectief op contactherstel op termijn. De vrouw zal de minderjarigen op haar beurt moeten informeren als de man via de e-mail zijn belangstelling toont voor hoe het met de minderjarigen gaat en wanneer hij hen ook een fijne verjaardag of andere feestdag toewenst. Als de minderjarigen zulke berichten van de man niet te zien krijgen, zal de man nog minder in beeld zijn bij hen. Dat is voor de ontwikkeling van de minderjarigen geen goede zaak op de langere termijn.
2.5.
Nu het verzoek van de man zal worden afgewezen, verdient de correcte nakoming van de informatieregeling die eerder in deze procedure is vastgesteld extra aandacht. De vrouw zal dus de man eens per maand, in lijn met de informatieregeling, moeten blijven informeren over de minderjarigen. Anders zal de man voor een nog langere tijd het zicht verliezen op alle ontwikkelingen van de minderjarigen en dat is met het oog op de toekomst evenmin een goede zaak. Als later contact gaat plaatsvinden, is het wel van belang dat de man op de hoogte is (gehouden) van alle relevante ontwikkelingen. Zo verdwijnt hij niet helemaal op de achtergrond en weet hij ook wat er echt speelt in het leven van de minderjarigen.
2.6.
Omdat er in deze procedure geen omgangsregeling wordt vastgesteld, zal de rechtbank de gevraagde dwangsom ook afwijzen.
Proceskosten
2.7.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst af het verzoek van de man tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht;
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. S. Wahedi, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.J. Vrolijk-Kronbichler, griffier, op 14 november 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.