ECLI:NL:RBROT:2025:13450

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/672463 / FA RK 24-498
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en onderhoudsbijdrage in een samengesteld gezin met minderjarigen

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 14 november 2025, wordt een wijziging van de zorgregeling en de onderhoudsbijdrage voor twee minderjarigen besproken. De zaak betreft een vrouw en een man die in een echtscheidingsprocedure zijn verwikkeld, waarbij de vrouw opnieuw is gehuwd en de man samenwoont met een nieuwe partner. De rechtbank heeft de verzoeken van de man en de vrouw beoordeeld, waarbij de man verzoekt om een wijziging van de kinderalimentatie en de zorgregeling. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken en vraagt om een regeling voor de vakanties. De rechtbank heeft de belangen van de minderjarigen in overweging genomen, waarbij de jongste minderjarige inmiddels zestien jaar oud is en zijn mening heeft kunnen geven. De rechtbank heeft besloten dat de zorgregeling voor de vakanties minimaal twee dagen bij de vrouw moet zijn in vakanties van een week, en minimaal vier dagen in vakanties van twee weken. De onderhoudsbijdrage voor de minderjarigen is vastgesteld op € 291,- per maand per kind, met een indexatie per 1 januari van elk jaar. De rechtbank heeft ook de draagkracht van beide ouders beoordeeld en vastgesteld dat de man en de vrouw onderhoudsplichtig zijn voor hun kinderen, waarbij de bijdrage van de vrouw is aangepast op basis van de gewijzigde omstandigheden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/672463 / FA RK 24-498
Beschikking van 14 november 2025 over de onderhoudsbijdrage, de zorgregeling, het gewijzigde ouderschapsplan
in de zaak van:
[naam moeder], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.P. Biesbroek te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M. Heere-Helmink te Rotterdam.
Het gaat in deze zaak om:
de minderjarige
[minderjarige 1] ,roepnaam
[minderjarige 1] ,geboren op
[geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats ] .
en de inmiddels jong-meerderjarige
[jong-meerderjarige] ,roepnaam
[jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats ] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M. Heere-Helmink te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 22 mei 2024;
  • het bericht van de man van 18 juli 2024;
  • het bericht van de vrouw van 12 september 2024;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 7 oktober 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 10 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de advocaat van de vrouw;
  • de vrouw, aanwezig via een Teams-verbinding;
  • de man met zijn advocaat;
  • [naam 1] , de zititngsvertegenwoordigster namens de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht.
1.3.
De jong-meerderjarige [jong-meerderjarige] blijkt door de rechtbank niet behoorlijk te zijn opgeroepen. Met partijen is besproken dat mr. M. Heere-Helmink gelegenheid krijgt om na de zitting nog een machtiging na te sturen waaruit blijkt dat zij ook namens [jong-meerderjarige] het woord voert ten aanzien van de onderhoudsbijdrage. Deze machtiging heeft de rechtbank na de zitting ontvangen.
1.4.
De minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.

2.De verdere vaststaande feiten

2.1.
In het ouderschapsplan van 26 januari 2017 is het volgende opgenomen onder artikel 7 over de kinderalimentatie.
Kosten van de kinderen
7.1.
De kosten van de kinderen zijn conform de gangbare tabellen begroot op € 1.407 en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen. Gezien de financiële situatie van de ouders kiezen zij er nadrukkelijk voor af te wijken van het Tremamodel en met een lager bedrag te rekenen.
Kinderalimentatie
7.2.
Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn. Vaste lasten, waaronder partijen o.a. verstaan kleding, sportkosten, schoolbijdrage en onvergoede medische kosten, abonnementen en zakgeld, worden betaald van een rekening die gezamenlijk aangehouden wordt. Van deze en/of rekening heeft iedere ouder een pinpas. Met ingang van de eerste van de maand volgend op de inschrijving van de echtscheiding én de verhuizing van de moeder, stort de vader maandelijks een bedrag van € 163 op deze rekening., de moeder stort maandelijks een bedrag van € 77 op deze rekening. Zodra de persoonlijke lening van de moeder is afgelost, zal ook zij een bedrag van € 163 per maand storten. Tevens zal de kinderbijslag op deze rekening worden gestort. Bij opheffing van de rekening is het saldo bestemd voor de kinderen.
Alimentatie jongmeerderjarige
7.3
Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt betaalt de vader/moeder de in artikel 7.2 genoemde storting aan het kind zelf ex artikel 1:395a BW op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de vader/moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.
Studiekosten na 21 jaar
7.4
De ouders verplichten zich aan een kind van 21 jaar of ouder een (studie) bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hen met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de 26-jarige leeftijd bereikt. Dit beding ten behoeve van ieder der kinderen van de ouders is onherroepelijk, zodat de kinderen het recht hebben om zo nodig nakoming van dit beding te vorderen. De ondertekening van dit convenant geldt tevens als aanvaarding van dit beding door partijen als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen.
2.2.
Bij beschikking van 22 mei 2024 is-– voor zover hier van belang - het volgende beslist:
- de verzoeken ten aanzien van de wijziging van de zorgregeling en de wijziging van de kinderbijdrage en de opname van een nieuw ouderschapsplan zijn aangehouden, in afwachting van het resultaat van de mediation tussen partijen.
2.3.
De mediation is niet geslaagd.
2.4.
De vrouw is opnieuw gehuwd met N. van der Wal op 7 mei 2018 te Rotterdam.
2.5.
De man is, samen met zijn partner [naam 2] , ouder van de minderjarige:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats ] .
2.6.
De man is met zijn partner geen geregistreerd partnerschap aangegaan en niet in het huwelijk getreden.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De nog voorliggende verzoeken
3.1.1.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat:
  • partijen in overleg een zorgregeling regelen;
  • de door de vrouw te betalen kinderalimentatie op € 866,- met ingang van
11 december 2023 wordt vastgesteld, dan wel een kinderalimentatie in goede justitie te bepalen met ingang van 1 januari 2024;
- het ouderschapsplan aan de beschikking wordt gehecht.
3.1.2.
Het verzoek ten aanzien van het ouderschapsplan heeft de man tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
3.2.
Verweer
3.2.1.
De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek ten aanzien van kinderalimentatie af te wijzen. Wat de zorgregeling betreft wil de vrouw dat de rechtbank een regeling over de vakanties vastlegt. Volgens de vrouw dient die regeling te luiden dat de ouders de vakanties bij helfte verdelen.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.3.2.
De rechtbank staat voor de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de minderjarige [minderjarige 1] is. Voor beantwoording van die vraag zal de rechtbank de argumenten van beide ouders en van de minderjarige wegen. [minderjarige 1] heeft met de kinderrechter gesproken en zijn argumenten benoemd.
3.3.3.
[minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat hij nu op regelmatige basis met zijn moeder videobelt. Om in de weekenden bij zijn moeder, die op Texel woont, langs te gaan vindt hij lastig. Dat is niet alleen vanwege de reistijd, maar ook omdat hij in de weekenden andere activiteiten heeft zoals schoolwerk, bijbaantje, en afspreken met zijn vriendin en vrienden. De zondag gebruikt [minderjarige 1] als rustdag. Het fysiek contact hebben met zijn moeder komt hem beter uit in de vakanties. In principe wil [minderjarige 1] zelf bepalen welke dagen in de vakanties hij naar zijn moeder gaat. De vrouw begrijpt dat [minderjarige 1] gelet op zijn leeftijd ook ruimte wil krijgen om eigen keuzes te maken en het contact via videobellen verloopt goed volgens haar. Alleen wat de vakanties betreft ziet de vrouw geen mogelijkheid hierover in overleg af te spreken. Daarom vraagt zij de rechtbank een regeling over de vakanties te bepalen die erop neerkomt dat de vakanties bij helfte worden gedeeld. De man daarentegen is er voorstander van om verder niets te regelen en de contacten tussen [minderjarige 1] en de vrouw in overleg nader af te stemmen. De raad merkt tijdens de zitting op dat het belangrijk is aan te haken bij de leeftijd van [minderjarige 1] die inmiddels zestien jaar is. Dus van belang is dat er bij de afspraken over het contact flexibiliteit in acht wordt genomen. Maar het advies van de raad is wel om in ieder geval ten aanzien van vakanties een minimale vakantieregeling vast te stellen, zodat die regeling aan een ieder een kader biedt.
3.3.4.
De rechtbank volgt de raad in het advies en zal voor de vakanties een minimale regeling vastleggen om zo het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te borgen. Ter zitting is namelijk gebleken dat het overleg over de vakanties tussen partijen niet altijd naar ieders tevredenheid verloopt. De rechtbank acht de navolgende minimale regeling voor de fysieke contacten het meest in het belang van [minderjarige 1] en het passend bij zijn leeftijd. In vakanties van een week zal [minderjarige 1] minimaal twee dagen bij de vrouw zijn, in vakanties van twee weken zal dit minimaal vier dagen zijn en tijdens de zomervakantie minimaal veertien aaneengesloten dagen. Welke dagen dit zullen zijn, kunnen [minderjarige 1] en zijn moeder in overleg verder afstemmen. Met deze regeling blijft er ruimte voor [minderjarige 1] om zijn eigen activiteiten ook in vakanties te blijven doen en blijft er ruimte voor beide ouders om met [minderjarige 1] op vakantie te gaan. Omdat het een minimale regeling betreft, blijft er ook ruimte voor meer contact. Wenst een van partijen met [minderjarige 1] een reis te maken die meer tijd in beslag neemt dan de tijd die past binnen deze minimale regeling, dan zal daarover overleg moeten plaatsvinden tussen partijen. Hierbij is het dan van belang dat deze wens eerst wordt besproken met de andere ouder en dat enkel bij instemming van de ander, de reisplannen worden besproken met [minderjarige 1] . Naast deze minimale regeling voor fysieke contacten kunnen [minderjarige 1] en de vrouw met elkaar videobellen wanneer ze dat willen (zoals zij dit nu ook al doen). De hiervoor benoemde regeling zal de rechtbank in de beslissing opnemen.
Onderhoudsbijdrage
Machtiging
3.3.5.
Met instemming van de rechtbank heeft mr, M, Heere-Helmink na de mondelinge behandeling nog een schriftelijke bevestiging overgelegd van de door haar gestelde mondelinge machtiging die de jong-meerderjarige [jong-meerderjarige] aan haar heeft verstrekt. Uit de schriftelijke machtiging blijkt dat [jong-meerderjarige] instemt dat mr. M. Heere-Helmink hem vertegenwoordigt in het alimentatiegeschil. De rechtbank oordeelt dat tijdens de zitting de belangen van [jong-meerderjarige] voldoende naar voren zijn gebracht. Dit maakt dat de rechtbank het bepalen van een nadere mondelinge behandeling voor [jong-meerderjarige] niet nodig acht.
Wijziging van omstandigheden
3.3.6.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.3.7.
Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid nu beide kinderen hun hoofdverblijfplaats inmiddels bij de man hebben. De rechtbank neemt deze wijziging van omstandigheden als vaststaand aan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.5.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.5.1.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. De rechtbank neemt daarbij het moment van de ingetreden wijziging, zijnde het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van beide kinderen naar de man, zijnde
11 december 2023. Het argument van de vrouw om 1 januari 2024 als ingangsdatum te nemen omdat zij vanaf die datum een onderhoudsbijdrage voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] is gaan betalen, geeft voor de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
3.5.2.
Gelet op de gehanteerde ingangsdatum zal bij de herberekening worden uitgegaan van de tarieven van 2023, de tweede helft.
Het eigen aandeel van partijen in de kosten van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] (hierna: de behoefte van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] )
3.5.3.
De man stelt dat de behoefte van de kinderen van € 1.407,-, zoals in het ouderschapsplan is opgenomen, het uitgangspunt is en dat dit bedrag dient geïndexeerd te worden. De vrouw betwist dit. Zij stelt dat weliswaar de behoefte op voornoemd bedrag is begroot, maar dat gelet op de financiële positie van partijen zij hiervan zijn afgeweken. De vrouw betrekt het afwijken van partijen ook op de behoefte en niet alleen op de draagkracht van partijen destijds. Voor het bepalen van de behoefte is
de welstand van partijenten tijde van de laatste fase van de samenleving bepalend. Op basis van die welstand hebben partijen destijds de behoefte begroot op € 1.407,-. Gesteld noch gebleken is dat ook thans nog de financiële positie van partijen reden zou moeten zijn voor afwijken. De rechtbank zal daarom de destijds begrote behoefte van € 1.407,- tot uitgangspunt nemen en vervolgens indexeren naar het jaar van de ingangsdatum, te weten 2023. In 2023 komt dit neer op
€ 1.620,- per maand voor twee kinderen, dat wil zeggen € 810,- per maand per kind.
Het eigen aandeel van de man en zijn partner in de kosten van [minderjarige 2] (hierna: de behoefte van [minderjarige 2] )
3.5.4.
Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 2] zijn partijen het erover eens dat hierbij de inkomensgegevens van de man en zijn partner uit het jaar 2023 worden gehanteerd. Bij de man is dit conform zijn jaaropgaaf 2023 € 90.666,- per jaar en bij zijn partner is dit conform haar jaaropgaaf 2023 € 39.031,- per jaar. De daaruit afgeleide netto besteedbare inkomens (NBI’s) bedragen € 4.714 per maand voor de man en € 2.862,- per maand voor de partner van de man (zie hiervoor de aangehechte berekening van de rechtbank). Deze NBI’s bij elkaar opgeteld betreft een gezinsinkomen dat boven € 6.000,- per maand uitkomt. De rechtbank raadpleegt daarbij de behoeftetabel 2023 en [minderjarige 2] wordt daarbij beschouwd als een kind dat opgroeit in een gezin waar drie kinderen wonen. Uit de behoeftetabel blijkt een eigen aandeel van de kosten van [minderjarige 2] van € 1.630,- (geldend voor drie kinderen). Door dit bedrag te delen door 3 is de behoefte van [minderjarige 2] vast te stellen op € 543,- per maand. Gesteld noch gebleken is dat van dit uitganspunt dient te worden afgeweken.
Onderhoudsplichtigen
3.5.5.
Verder zijn partijen het erover eens dat beide stiefouders niet onderhoudsplichtig zijn voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] . Enkel de draagkracht van de man en de vrouw zijn van belang bij de herberekening van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] .
3.5.6.
Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de man ook onderhoudsplichtig is voor de minderjarige [minderjarige 2] , evenals zijn partner [naam 2] .
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
3.5.7.
Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht.
3.5.8.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2023-tweede helft.
3.5.9.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 90.666,-, op € 4.714,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de arbeidskorting.
3.5.10.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 59.054,-, op € 3.480,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.5.11.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de partner van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 39.031, op € 2.862 per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.5.12.
De draagkracht van de man, de vrouw en de partner van de man wordt, omdat hun NBI hoger is dan € 1.930,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.175)] en bedraagt:
€ 1.488,- per maand voor de man;
€ 883,- per maand voor de vrouw;
€ 580,- per maand voor de partner van de man.
Toerekening van de draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen
3.5.13.
De man bepleit om zijn draagkracht evenredig over de drie kinderen te verdelen. Dit wordt door de vrouw betwist en zij voert aan dat naar rato van de behoefte van de kinderen de toerekening van de draagkracht dient plaats te vinden.
3.5.14.
Gelet op de verschillende behoeftes van de drie kinderen zal de rechtbank hierna berekenen hoe de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is. De drie kinderen ten opzichte van wie de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft, hebben een totale behoefte van € 2.163,- per maand ( [jong-meerderjarige] € 810,- per maand, [minderjarige 1] € 810,- per maand en [minderjarige 2] € 543,- per maand).
3.5.15.
De toerekening van de draagkracht van de man aan de drie kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is, wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de drie kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, ofwel:
toerekening van de draagkracht voor [jong-meerderjarige] : € 810 / € 2.163 x € 1.488 = € 557,-
toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 1] : € 810 / € 2.163 x € 1.488 = € 557,-
toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 2] : € 543 / € 2.163 x € 1.488 =
€ 374,-
samen de totale draagkracht van de man van € 1.488,-
3.5.16.
Vervolgens zal berekend worden hoe de draagkracht van de vrouw naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is. De twee kinderen ten opzichte van wie de vrouw een wettelijke onderhoudsplicht heeft, hebben een totale behoefte van € 1.620,- per maand ( [jong-meerderjarige] € 810,- per maand, [minderjarige 1] € 810.- per maand).
3.5.17.
De toerekening van de draagkracht van de vrouw aan de twee kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is, wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de twee kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de vrouw, ofwel:
toerekening van de draagkracht voor [jong-meerderjarige] : € 810 / € 1.620 x € 883 = € 442,-
toerekening van de draagkracht voor [minderjarige 1] : € 810 / € 1.620 x € 883 =
€ 442,-
samen de totale draagkracht van de vrouw van € 884,-.
3.5.18.
Vervolgens zal berekend worden hoe de draagkracht van de partner van de man naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is. Dit kind ten opzichte van wie de partner van de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft, heeft een totale behoefte van
( [minderjarige 2] € 543,- per maand).
3.5.19.
De partner van de man is enkel onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] . Zij heeft daarom haar hele draagkracht van € 580,- beschikbaar voor [minderjarige 2] .
3.5.20.
De toegerekende draagkracht van de man voor [minderjarige 2] bedraagt € 374,- per maand. De toegerekende draagkracht van de partner van de man voor [minderjarige 2] is € 580,- per maand. De gezamenlijke draagkracht (€ 954) is hoger dan de behoefte van [minderjarige 2] (€ 543).
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders voor [minderjarige 2] beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 374 / € 954 x € 543 = € 213,-
het deel van de partner van de man bedraagt: € 580 / € 954 x € 543 =
€ 330,-
samen € 543,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 2] komt dus een gedeelte van € 213,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 330,- per maand voor rekening van de partner van de man.
3.5.21.
Dit betekent dat de man van de toegerekende draagkracht voor [minderjarige 2] een bedrag van € 161,- per maand (€ 374,- minus € 213,-) voor twee kinderen overhoudt, dat wil zeggen € 81,- per maand per kind. Dit bedrag wordt overgeheveld naar de draagkracht voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] . Die bedraagt dan € 638,- per maand (€ 557 + € 81).
3.5.22.
Zoals hierboven al berekend bedraagt de draagkracht van de vrouw € 442,- per maand per kind.
3.5.23.
Voor [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor deze kinderen beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 638 / € 1.080 x € 810 = € 479,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 442 / € 1.080 x € 810 =
€ 331,-
samen € 810
Derhalve komt van de totale behoefte van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] een gedeelte van € 479,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 331,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.5.24.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw gemiddeld minder dan een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] . Hierbij hoort een zorgkorting van 5%. Deze zorgkorting past de rechtbank ook toe voor [jong-meerderjarige] in de periode van 11 december 2023 tot 28 februari 2025 (in de periode dat [jong-meerderjarige] nog minderjarige was).
3.5.25.
De rechtbank ziet geen aanleiding zoals door de vrouw wordt bepleit om de zorgkorting te verhogen met de reiskosten die de vrouw voor de minderjarigen financiert op de momenten dat de minderjarigen naar Texel gaan en weer teruggaan. Dat valt onder de gemaakte afspraak van partijen waarbij de vrouw zelf heeft gezegd deze reiskosten voor haar rekening te nemen.
3.5.26.
Omdat de behoefte van [minderjarige 1] en [jong-meerderjarige] € 810,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 40,- per maand.
3.5.27.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de vrouw verminderd met dit bedrag, zodat de vrouw als onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] aan de man moet betalen € 291,- per maand. Met ingang van 28 februari 2025 valt de zorgkorting voor [jong-meerderjarige] weg. De onderhoudsbijdrage voor [jong-meerderjarige] bedraagt vanaf dat moment € 331,- per maand.
Aanpassing draagkracht van de vrouw
3.5.28.
De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat zij nog steeds aflost op een huwelijkse schuld met een bedrag van € 454,- per maand en dat deze schuld drukt op haar draagkracht. De man betwist de lening en voert bovendien hij aan dat de vrouw deze lening inmiddels al had kunnen aflossen. De vrouw heeft bij de verhuizing naar Texel haar voormalige woning met een overwaarde verkocht. De gelden voortkomend uit die verkoop had de vrouw dan ook kunnen gebruiken voor het aflossen van de nog openstaande schuld, voor zover daarvan sprake is, aldus de man.
De rechtbank verwijst naar het rapport over bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden. Daarbij kan slechts met een last rekening worden gehouden als het gaat om een niet verwijtbare en niet vermijdbare last. Omdat de rechtbank verder geen stukken heeft gezien over deze schuld, behalve dan dat uit het convenant bij de echtscheidingsbeschikking blijkt dat partijen bij de ING een persoonlijke lening hadden, is verder niet vast te stellen dat deze schuld er nog steeds is. Bovendien ontbreekt van de zijde van de vrouw onderbouwing waarom zij deze schuld nog niet heeft afgelost. De enkele stelling “ik los nog af op een huwelijkse schuld” is niet te kwalificeren als een niet te vermijden en niet te verwijten last en laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.
3.5.29.
De man bepleit om bij de vrouw met de helft van de woonlasten rekening te houden omdat zij het woonbudget met haar partner kan delen. Dit wordt door de vrouw betwist. De rechtbank volgt het betoog van de man niet en verwijst naar het rapport en neemt het woonbudget mee aan de zijde van de vrouw. Ook hier volgt de rechtbank het rapport waarin is opgenomen dat slechts als sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien. er reden is om af te wijken van het woonbudget. Nu geen sprake is van een tekort aan draagkracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een aanpassing.
Conclusie
3.5.30.
Gezien het voorgaande is een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] van € 291,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Daarbij wijzigt de situatie ten aanzien van [jong-meerderjarige] bij het bereiken van zijn achttienjarige leeftijd (28 februari 2025) en vanaf dat moment blijkt de vrouw in staat tot het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong-meerderjarige] van € 331,- per maand.
Indexatie terugwerkende kracht
3.5.31.
Op grond van artikel 1:402a lid 2 BW wordt een bij beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage geïndexeerd per 1 januari volgend op de datum van de beschikking. Er is niet expliciet verzocht de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te indexeren. Toch leest de rechtbank dit in het verzoek de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen.
3.5.32.
Gezien het voorgaande is een door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van
€ 291,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, op basis van de tarieven 2023. Omdat de onderhoudsbijdrage in 2025 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2024 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Kindvriendelijke terugkoppeling
3.6.2.
De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat zij hem in een brief zal laten weten wat de beslissing is. [minderjarige 1] krijgt daarom een brief met de volgende inhoud:
“Beste [minderjarige 1] ,
Een aantal weken geleden heb jij op de rechtbank met mij gesproken. Jij hebt toen uitgelegd hoe en wanneer jij het liefst de contacten tussen jou en jouw moeder zou willen laten plaatsvinden. Ik heb goed naar jouw wensen geluisterd.
Na ons gesprek heb ik gesproken met jouw ouders, hun advocaten en iemand van de raad voor de kinderbescherming.
Jouw ouders zijn het erover eens dat jij zo vaak als jij dat wil via (video)bellen contact zou moeten kunnen hebben met jouw moeder. Dat is ook wat jij wil en ik vind dat ook belangrijk voor jou. Daarom heb ik beslist dat dit gewoon door kan gaan zoals dat nu gaat.
Jij hebt mij ook verteld dat jij in de vakanties naar jouw moeder toe zou willen, maar dat er wel ruimte moet blijven voor al jouw activiteiten. Jij wil daarom flexibel blijven voor wat betreft de vakantiedagen. Jouw ouders en de medewerker van de raad voor de kinderbescherming zijn het er over eens dat flexibiliteit ook past bij jouw leeftijd. Ook ik vind dat.
De vakantieverdeling helemaal flexibel houden vraagt alleen heel veel van de communicatie tussen jouw ouders. In het gesprek met jouw ouders heb ik gemerkt dat ze niet allebei tevreden zijn over hoe het maken van de afspraken over de vakanties verlopen is in de afgelopen tijd. Daarnaast is het helemaal aan jou overlaten wanneer je naar jouw moeder gaat, een best wel zware taak voor jou.
Om ervoor te zorgen dat de contacten tussen jou en jouw moeder gewaarborgd blijven en niet gaan verwateren en om jouw ouders wat meer duidelijkheid te geven over de vakanties, heb ik beslist dat jij in de vakanties een minimaal aantal dagen naar jouw moeder zal gaan. Welke dagen dat zijn, is flexibel en kan jij met jouw moeder afspreken. Omdat het een minimum aantal dagen is, ben je ook flexibel in de keuze of je meer dagen wilt. In vakanties die een week duren zal je minimaal twee dagen bij je moeder doorbrengen, in vakanties die twee weken duren zal je minimaal vier dagen bij haar zijn en in de zomervakantie minimaal twee aaneengesloten weken. Als een van jouw ouders reisplannen heeft om langer weg te gaan met jou dan de dagen die passen bij deze minimale regeling, dan zullen jouw ouders daarover eerst in overleg moeten. Ze moeten het er dan over eens zijn geworden vóórdat jij op de hoogte wordt gesteld van die reisplannen.
Wij hebben ook gesproken over kinderalimentatie. Jij vond het ingewikkeld om daar jouw mening over te geven, omdat jij niks hebt met cijfers en economie ook hebt laten vallen op school. Ik zal daarom mijn beslissing over de kinderalimentatie niet helemaal aan jou gaan uitleggen. Ik laat het voor jou bij de mededeling dat ik heb uitgerekend welk bedrag jouw moeder aan jouw vader moet gaan betalen als bijdrage in de kosten die door jouw vader worden gemaakt voor jouw verzorging en opvoeding.
Ik wens je het beste.
Vriendelijke groet,
De kinderrechter“

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2017 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 26 januari 2017 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige [minderjarige 1] voortaan als volgt zal zijn:
  • de minderjarige verblijft in vakanties van een week minimaal twee dagen bij de vrouw;
  • de minderjarige verblijft in vakanties van twee weken minimaal vier dagen bij de vrouw;
  • de minderjarige verblijft in de zomervakantie gedurende minimaal veertien aaneengesloten dagen bij de vrouw;
  • de minderjarige en de vrouw overleggen met elkaar welke vakantiedagen door de minderjarige bij de vrouw worden doorgebracht;
  • de minderjarige en de vrouw videobellen met elkaar wanneer zij dat willen;
4.2.
wijzigt de beschikking van de rechtbank van Den Haag van 15 februari 2017 in die zin, dat de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] :
  • over de periode van 11 december 2023 tot en met 31 december 2023 wordt bepaald op € 291,- per maand;
  • over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 wordt bepaald op€ 309,- per maand ;
  • met ingang van 1 januari 2025 wordt bepaald op € 329,- per maand;
4.3.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2017 in die zin, dat de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [jong-meerderjarige]
  • over de periode van 11 december 2023 tot en met 31 december 2023 wordt bepaald op € 291,- per maand;
  • over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 wordt bepaald op € 309,- per maand;
  • over de periode van 1 januari 2025 tot 28 februari 2025 wordt bepaald op € 329,- per maand;
  • en de door de vrouw aan [jong-meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vanaf 28 februari 2025 wordt bepaald op € 331,- per maand;
4.4.
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jong-meerderjarige] en [minderjarige 1] verder steeds per januari ieder hierop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de gerechtsjurist, griffier, op 14 november 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.