ECLI:NL:RBROT:2025:13458

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1477
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) aan een verzoekster met problematische schulden

Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende mevrouw [verzoekster], die zich in een problematische schuldensituatie bevindt. Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en om de ingangsdatum van deze regeling vast te stellen op 1 maart 2025. De rechtbank heeft het verzoek om de ingangsdatum te vervroegen afgewezen, omdat de gegevens omtrent het vrij te laten bedrag (VTLB) niet correct waren ingevuld en er stukken van de partner ontbraken.

De rechtbank heeft vastgesteld dat mevrouw [verzoekster] geen poging heeft gedaan tot een buitengerechtelijke schuldregeling, maar dat het aannemelijk is dat dit niet mogelijk was gezien haar situatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat mevrouw [verzoekster] aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp voldoet, ondanks dat enkele schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. De rechtbank heeft besloten om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp, gebruikmakend van de hardheidsclausule, omdat zij haar omstandigheden onder controle heeft gekregen en er vertrouwen is dat zij zich aan de verplichtingen zal houden.

De rechtbank heeft de looptijd van de Wsnp-regeling vastgesteld op 18 maanden, ingaande op de datum van het vonnis. De rechtbank heeft ook een bewindvoerder en een rechter-commissaris benoemd om toezicht te houden op de uitvoering van de regeling. De beslissing is openbaar uitgesproken en mevrouw [verzoekster] heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
[insolventienummer]
vonnis van:
5 november 2025
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 maart 2025. Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer L.L. Rijfkogel, werkzaam bij Bresz B.V., schuldhulpverlener;
- mevrouw C.M. Doorenweerd, beschermingsbewindvoerder.
Mevrouw [verzoekster] is telefonisch gehoord omdat zij wegens medische klachten niet in staat was de zitting fysiek bij te wonen.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet mevrouw [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens mevrouw [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de schuldenlast niet met zekerheid kan worden vastgesteld omdat verzoekster als zelfstandige geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden en door handelen van de voormalig beschermingsbewindvoerder de schuldenproblematiek van mevrouw [verzoekster] is verergerd.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de schuldenlast niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Mevrouw [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
2.4.
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de schuld aan de belastingdienst en de CJIB-boetes die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. De schuld aan de belastingdienst is ontstaan omdat mevrouw [verzoekster] geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden toen zij als zelfstandige werkzaam was. De CJIB-boetes zijn deels ontstaan doordat de schoonzus van mevrouw [verzoekster] boetes heeft gemaakt toen zij de auto van mevrouw [verzoekster] heeft gebruikt. De CJIB-boetes zijn naar hun aard niet te goeder trouw.
Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.6.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. Mevrouw [verzoekster] heeft haar werkzaamheden als zelfstandige beëindigd. Daarnaast heeft mevrouw [verzoekster] ter zitting meegedeeld dat zij geen auto’s meer op haar naam heeft staan.
2.7.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat mevrouw [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.8.
Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.9.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
2.10.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.11.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.12.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.13.
De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. De stukken van de partner ontbreken bij het VTLB en het kindgebonden budget is niet in de VTLB-berekening opgenomen terwijl er wel kindgebonden budget wordt ontvangen. De rechtbank kan door het ontbreken van de gegevens niet controleren of aan de afdrachtplicht is voldaan.
2.14.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
3.6.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
voorheen h.o.d.n. [handelsnaam] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom,
en tot bewindvoerder J.M. Hoogland,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 5 november 2025 en de duur op 18 maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 5 mei 2027;
  • draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom rechter, in samenwerking met C. van der Velde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. [1]