3.3.Wijziging van omstandigheden
3.3.1.Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.3.2.De rechtbank oordeelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat is gebleken dat de schuldhulpverleningsperiode van beide partijen is afgerond. In het convenant spraken partijen daarover af dat na deze periode een herberekening dient plaats te vinden. De rechtbank maakt hieruit op dat partijen op voorhand de afronding van het schuldhulpverleningstraject al hebben beschouwd als een wijziging van omstandigheden die opnieuw rekenen rechtvaardigt. De rechtbank zal dan ook overgaan tot het maken van een herberekening. Nadat de herberekening is gemaakt, kan de rechtbank beoordelen of – gelet op de uitkomst van de herberekening – sprake is een “rechtens relevante” wijziging van omstandigheden die maakt dat de door de man te betalen bedragen moeten worden gewijzigd.
3.3.3.De rechtbank zal de kinder- en partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.3.4.Partijen zijn het eens over de verzochte ingangsdatum, zodat de kinder- en partnerbijdrage met ingang van die datum, te weten de datum van de beschikking, zal worden gewijzigd, mits daartoe aanleiding is.
De behoefte van [minderjarige]
3.3.5.Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige [minderjarige] ) € 431,- per maand in 2025 bedraagt.
3.3.6.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.3.7.Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de mogelijke wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-tweede helft.
3.3.8.Tussen partijen is niet in geschil dat voor het berekenen van het huidige netto besteedbaar inkomen van de man zijn salarisspecificatie van september 2025 als uitgangspunt moet worden genomen.
3.3.9.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening, bijlage I) het huidige NBI van de man over het jaar 2025 op € 2.803,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.389,-;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 278,-;
- soc. fonds € 15,-;
- premie Whk wn € 9,-.
3.3.10.De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Over toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting bleek onduidelijkheid tussen partijen te bestaan. Uit de berichten van 20 oktober 2025 respectievelijk
21 oktober 2025 blijkt dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de man niet in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Deze korting blijft daarom buiten beschouwing.
3.3.11.Tussen partijen is in geschil van welk huidig NBI van de vrouw moet worden uitgegaan. De man wil uitgaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De vrouw wijst dit van de hand en stelt dat zij onder begeleiding van een arbeidsdeskundige positieve stapjes heeft gezet van een situatie waarin de vrouw niet werkte naar een situatie waarin de vrouw 15 uur per week werkt. De vrouw stelt dat haar huidige werksituatie voor haar het maximaal haalbare is op dit moment. De rechtbank volgt de vrouw in haar betoog. Gebleken is dat de vrouw eerst niet werkzaam was en nu onder begeleiding van een arts, ook al is zij niet arbeidsongeschikt bevonden, er naartoe heeft gewerkt dat zij in ieder geval weer voor 15 uur per week inzetbaar is om te werken. Uit het door de vrouw als productie 7 overlegde stuk blijkt de rechtbank afdoende dat de vrouw nu niet méér kan werken en dat voor de toekomst nieuw onderzoek zal plaatsvinden. Nu dit een onzekere toekomstige situatie is, loopt de rechtbank daar nog niet op vooruit. De rechtbank zal dus voor nu het netto besteedbare inkomen van de vrouw vaststellen op basis van 15 uur werken per week en de aanvullende uitkering op grond van de Participatiewet. Daarbij neemt de rechtbank haar inkomen blijkens haar salarisspecificatie van september 2025 en daarbij opgeteld haar aanvullende netto uitkering blijkens het overzicht van de gemeente van september 2025.
3.3.12.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening, bijlage I) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 1.562,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 1.061,-;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 78,-;
- inhouding wn wia/wga € 4,-;
- netto bijstandsuitkering van € 498,-.
3.3.13.De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.3.14.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 492,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.3.15.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 456,- per maand.
3.3.16.De draagkracht van de vrouw is tussen partijen in discussie. De vrouw voert aan dat haar inkomen op bijstandsniveau ligt en wordt aangevuld met een bijstandsuitkering, wat dient te leiden tot een draagkracht van € 0,-. De man daarentegen gaat bij de draagkracht van de vrouw uit van een minimumbedrag van € 25,- per maand.
De rechtbank verwijst naar het rapport en beschouwt de vrouw als een ouder die inkomen heeft, waarbij een minimumdraagkracht van € 25,- per maand wordt aangenomen.
3.3.17.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (ad € 481,-) hoger is dan de behoefte van de minderjarige (ad € 431,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 456 / € 481 x € 431 = € 409,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 25 / € 481 x € 431 = € 22 +
samen € 431,-.
3.3.18.Partijen zijn het eens over de toepassing van een zorgkorting van 35%.
3.3.19.Omdat de behoefte van de minderjarige € 431,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 151,- per maand.
3.3.20.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen (€ 409,- minus € 151,- =)
€ 258,- per maand.
Conclusie ten aanzien van kinderbijdrage
3.3.21.Gezien de uitkomst van de herberekening oordeelt de rechtbank dat sprake is van een rechtens relevante wijziging en daarom zal worden bepaald dat door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal worden gewijzigd naar € 258,- per maand. Dit bedrag is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.3.22.Partijen zijn het erover eens dat de behoefte zoals overeengekomen in het convenant als vertrekpunt kan worden genomen. Partijen zijn destijds overeengekomen dat de behoefte € 1.172,- netto per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 komt dit neer op
€ 1.475,- netto per maand.
3.3.23.Op de behoefte van de vrouw moet haar inkomen van € 1.064,- netto per maand, inclusief vakantiegeld, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 411,- netto per maand resteert. De rechtbank brengt de aanvullende bijstandsuitkering niet in mindering, omdat dit enkel als aanvullend is bedoeld, voor zover bij de echtscheiding de onderhoudsplichtige ex-partner niet in staat is bij te dragen. Net als bij de berekening van de kinderbijdrage wordt niet uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De rechtbank verwijst naar wat in r.o. 3.3.11. daarover is overwogen.
3.3.24.Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) de behoefte van de vrouw vast op € 411,- netto per maand, ofwel € 640,- bruto per maand.
De draagkracht van de man
3.3.25.De rechtbank bepaalt het huidige NBI van de man over het jaar 2025 op € 2.803,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.389,-;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 278,-;
- soc. fonds € 15,-;
- premie WHK wn € 9,-.
3.3.26.De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.3.27.In beginsel wordt sinds 2023 ook bij partneralimentatie uitgegaan van een forfaitaire benadering van het woonbudget. Standaard wordt met een woonbudget van 30% van het NBI gerekend, maar hier wordt in sommige gevallen vanaf geweken. Op basis van de formule komt het forfaitaire woonbudget van de man uit op een bedrag van € 841- per maand. Het woonbudget omvat niet enkel de kale huur en servicekosten, maar ook alle redelijke lasten voor een woning, waaronder lokale belastingen.
3.3.28.Indien sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de vrouw, voldoende onderbouwd stelt dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat hij samenwoont, dan ligt het op de weg van de man om inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten.
3.3.29.De vrouw verzoekt rekening te houden met de helft van de woonbudget (30% van het NBI gedeeld door 2) van de man omdat hij samenwonend is en zij de huidige echtgenote in staat acht daartoe voor de helft bij te dragen. De woonlasten van de man zijn daardoor volgens de vrouw duurzaam aanmerkelijk lager dan het forfaitaire woonbudget. In haar berekening komt zij uit op € 450,- per maand.
3.3.30.De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat zijn huidige echtgenote een beperkt inkomen heeft: zij ontvangt een WIA-uitkering. Er kan niet van haar verlangd worden bij te dragen in de woonlasten. De vrouw betwist dit.
3.3.31.De rechtbank zal eerst berekenen of de man voldoende draagkracht heeft volgens een berekening met het forfaitaire woonbudget, hiervoor verwijst de rechtbank naar de aan deze beschikking gehechte berekening vermeld onder bijlage II.
Op grond van deze berekening volgt een draagkracht van de man van afgerond (60% x [2.803 - (841 + 1.310) =]) € 391,- netto per maand. Daarop wordt in mindering gebracht de bijdrage kosten kind (inclusief zorgkorting) van € 409,-. Aldus resteert een negatieve bedrag aan draagkracht.. Er is dus sprake van een tekort als bedoeld in r.o. 3.3.28.
3.3.32.Nu is gebleken dat de man – uitgaande van het forfaitaire woonbudget – onvoldoende draagkracht heeft om de verzochte partneralimentatie te betalen, kan worden afgeweken van het forfaitaire systeem als de man duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten heeft dan het forfaitaire woonbudget.
3.3.33.De rechtbank stelt vast dat de partner van de man een WIA-uitkering van € 840,- netto per maand ontvangt. De rechtbank acht de partner daarmee in staat om enige bijdrage te leveren in de woonlasten waardoor de man duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten heeft dan het forfaitaire woonbudget.
De man heeft onvoldoende inzage gegeven in zijn werkelijke woonlasten. Daarom zal de rechtbank net als de vrouw het delen van de woonlasten tot uiting laten komen in een aanpassing van het percentage van het woonbudget. Anders dan de vrouw zal de rechtbank niet de helft van de 30% in aanmerking nemen, maar in redelijkheid het woonforfait van 30% (€ 841,-) tussen de man en zijn partner verdelen naar rato van ieders inkomen. Het deel van het woonbudget dat voor rekening van de man komt is dan (2.803/3.643 x 841=) € 647,- en het deel dat voor rekening van zijn partner komt is dan (840/3.643 x 841 =) € 194,-. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening vermeld onder bijlage III rekening houdend met deze aanpassing.
3.3.34.Op grond van de aanpassing van het woonbudget volgt een draagkracht van de man van afgerond (60% x [2.803 - (647 + 1.310) =]) € 508,- netto per maand. Rekening houdend met de bijdrage kosten kind (inclusief zorgkorting) van € 409,- levert dit bij de man een draagkracht op van € 99,- netto per maand, gebruteerd komt dit neer op € 158,- per maand.
Conclusie ten aanzien van partnerbijdrage
3.3.35.Ook ten aanzien van de partnerbijdrage concludeert de rechtbank dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging en daarom zal de rechtbank bepalen dat de eerder overeengekomen partneralimentatie wordt gewijzigd naar een partnerbijdrage van
€ 158,- bruto per maand.