ECLI:NL:RBROT:2025:13472

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/688134 / FA RK 24-7911
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderbijdrage met terugwerkende kracht over meerdere periodes

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage tussen de ouders van twee minderjarige kinderen. De oorspronkelijke beschikking dateerde van 30 november 2017, waarin een bijdrage van €147 per maand per kind was vastgesteld. De vrouw verzocht om verhoging van deze bijdrage met ingang van 1 oktober 2024.

De rechtbank stelde vast dat sprake was van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en voerde een volledige herbeoordeling uit. De kinderbijdrage werd over drie perioden berekend: van 24 oktober 2024 tot 1 januari 2025, van 1 januari 2025 tot 1 juni 2025, en vanaf 1 juni 2025. Hierbij werd rekening gehouden met het netto besteedbaar inkomen van beide ouders, de behoefte van de kinderen en een zorgkorting.

De man was vanaf 1 juni 2025 in loondienst getreden na een periode van lagere winst uit onderneming. De vrouw had tijdelijk meer verdiend, maar dit werd niet als structureel beschouwd. De rechtbank kende een zorgkorting van 5% toe vanwege het huidige contact tussen man en kinderen. De bijdrage van de man werd vastgesteld op respectievelijk €358, €191 en €205 per maand per kind voor de drie perioden. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De kinderbijdrage van de man wordt met terugwerkende kracht gewijzigd in drie perioden met respectievelijke bedragen van €358, €191 en €205 per maand per kind.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/688134 / FA RK 24-7911
Beschikking van 11 november 2025 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. C.E. van der Starre te Oostvoorne.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 oktober 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen van de man;
  • de berichten met bijlagen van de vrouw van 3 januari 2025, 6 januari 2025 en 31 juli 2025;
  • de berichten met bijlagen van de man van 11 augustus 2025 en 2 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat en
  • de man met zijn advocaat.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] .
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 6 april 2018 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
In deze is beschikking bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: de kinderbijdrage) voldoet van € 147,- per maand per kind.
3. De beoordeling
Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017 in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde kinderbijdrage met ingang van 1 oktober 2024 wordt bepaald op een bedrag van € 425,- per maand per kind.
3.2.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW Pro). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de rechtbank de bijdrage opnieuw zal beoordelen.
De ingangsdatum
3.4.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. Het verzoekschrift is op 24 oktober 2024 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
3.5.
De man stelt dat zijn winst uit onderneming in 2025 aanzienlijk lager was dan voorgaande jaren. Dit wordt door de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank zal dan ook met ingang van 1 januari 2025 een nieuwe berekening maken. Verder staat vast dat de man per 1 juni 2025 in loondienst is getreden, welke wijziging ook een nieuwe berekening rechtvaardigt. De omstandigheid dat de vrouw per mei 2025 meer is gaan verdienen, is gelet op de betwisting door de vrouw dat dit structureel is, onvoldoende om de bijdrage over die maand apart te berekenen. De vrouw houdt vanaf 25 juni 2025 rekening met een zorgkorting. Deze datum ligt zeer dicht bij 1 juni 2025, zodat de rechtbank hiervoor geen aparte berekening zal maken. De rechtbank onderscheidt dan ook drie periodes:
van 24 oktober 2024 tot 1 januari 2025;
van 1 januari 2025 tot 1 juni 2025;
vanaf 1 juni 2025.
De behoefte
3.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2024 € 654,- per maand per kind (totaal € 1.308,-) bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte in dat jaar € 697,- per maand per kind (totaal € 1.394,-).
Draagkrachtberekening periode 1
3.7.
Beoordeeld moet worden in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen in 2024 vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2024-2.
3.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de man in 2024 € 3.950,- per maand (op basis van een gemiddelde winst uit onderneming) bedraagt. Voor zover de man zijn standpunt handhaaft dat de gemiddelde winst over 2021, 2022 en 2023 niet maatgevend is voor 2024, faalt dit standpunt. Het had op zijn weg gelegen om de cijfers over 2024 in het geding te brengen. Dat hij dit heeft nagelaten, moet voor zijn rekening en risico blijven. Voor zover de vrouw haar standpunt handhaaft dat van de privé onttrekkingen moet worden uitgegaan, faalt dit standpunt eveneens. De teloorgang van het bedrijf heeft namelijk uitgewezen dat het dergelijke onttrekkingen niet kon dragen.
3.9.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 1 in deze beschikking opgenomen berekening) het NBI van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024, waarop een jaarloon staat genoemd van € 37.623,-, op € 3.581,- per maand. Het verweer van de man dat het inkomen van de vrouw in 2024 niet representatief is, wordt gepasseerd, omdat de vrouw dit inkomen feitelijk had. Daarbij komt dat in de volgende periodes van recentere inkomensgegevens van de vrouw wordt uitgegaan.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 8.316,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.10.
De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI +1.270)] en bedraagt € 1.047,- per maand van de man en € 866,- per maand van de vrouw.
Draagkrachtvergelijking periode 1
3.11.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.047 / € 1.913 x € 1.308 = € 716
het deel van de vrouw bedraagt: € 866 / € 1.913 x € 1.308 = € 592 +
samen € 1.308
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 716,- per maand ofwel € 358,- per maand per kind voor rekening van de man.
Conclusie periode 1
3.12.
De man betwist niet dat er in deze periode geen contact was tussen hem en de minderjarigen, zodat geen rekening wordt gehouden met een zorgkorting. Een door de man te betalen kinderbijdrage van € 358,- per maand per kind over de periode van 24 oktober 2024 tot 1 januari 2025 is dan ook in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Draagkrachtberekening periode 2
3.13.
Vanaf 1 januari 2025 bedraagt de behoefte van de minderjarigen € 697,- per maand per kind. De rechtbank zal beoordelen in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het NBI van partijen vastgesteld worden. Gerekend wordt met de tarieven 2025-1.
3.14.
De man stelt dat zijn winst over de periode 1 januari 2025 tot 1 juni 2025 € 13.921,75 bedraagt. Dit wordt door de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 2 in deze beschikking opgenomen berekening) het NBI van de man aan de hand van deze winst op € 1.116,- per maand.
De zelfstandigenaftrek van € 2.470,- is in aanmerking genomen. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 1.454,-. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen. Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 526,-.
3.15.
Omdat het NBI van de man lager is dan € 1.875,- wordt zijn draagkracht vastgesteld, aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport, op het minimumbedrag van € 50,- per maand.
Conclusie periode 2
3.16.
De rechtbank constateert dat er geen wijzigingsverzoek tot verlaging van de kinderbijdrage voorligt. Gelet op de minimale draagkracht van de man in deze periode acht de rechtbank het redelijk aan te sluiten bij de eerder vastgestelde bijdrage in de beschikking van 30 november 2017 van € 147,- per maand per kind. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de bijdrage dan € 191,- per maand per kind. De rechtbank zal laatstgenoemd bedrag vaststellen als kinderbijdrage in de periode van 1 januari 2025 tot 1 juni 2025.
Draagkrachtberekening periode 3
3.17.
In deze periode moet ook beoordeel worden hoe de behoefte van € 697,- per maand per kind tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt weer naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet het huidige NBI van partijen vastgesteld worden. Gerekend wordt met de tarieven 2025-2.
3.18.
Vanaf 1 juni 2025 is de man in loondienst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende aangetoond dat dit, gezien de slechte ondernemingsresultaten, een noodzakelijk stap was. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 3 in deze beschikking opgenomen berekening) het huidige NBI van de man op € 2.905,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over de maand september 2025):
- basisloon € 3.500,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 231,84
- premie WIA € 9,25
- premie WGA € 12,38
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
3.19.
Tot en met april 2025 had de vrouw een inkomen van € 3.166,20 bruto per maand. In de maanden mei, juni en juli 2025 had zij een inkomen van € 3.693,90 bruto per maand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw genoegzaam aangetoond dat zij tijdelijk extra heeft gewerkt, maar dat dit niet structureel is. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een inkomen van € 3.166,- bruto per maand. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 4 in deze beschikking opgenomen berekening) het huidige NBI van de vrouw op € 3.833,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 3.166,20
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- eindejaarsuitkering € 263,74
- bindingstoelage € 82,-
- pensioenpremie € 227,87
- premie AOP € 6,96
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 8.124,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.20.
De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 506,- per maand van de man en € 961,- per maand van de vrouw.
Draagkrachtvergelijking periode 3
3.21.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 506 / € 1.467 x € 1.394 = € 481
het deel van de vrouw bedraagt: € 961 / € 1.467 x € 1.394 = € 913 +
samen € 1.394
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 481,- per maand ofwel € 240,- per maand per kind voor rekening van de man.
Zorgkorting periode 3
3.22.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 15%, omdat hij hoopt dat in de nabije toekomst de minderjarigen gedurende meerdere aaneengesloten dagen bij hem zullen zijn. De vrouw voert verweer. Op dit moment vindt er contact tussen de man en de minderjarigen plaats in het omgangshuis. De vrouw stelt dat [minderjarige 2] op vrijdagmiddag iets met zijn vader wil gaan doen en [minderjarige 1] op dit moment geen vaste regeling wil.
3.23.
Gezien de huidige regeling acht de rechtbank een zorgkorting van 5% passend. Op de mogelijkheid dat er in de toekomst een uitgebreidere regeling tot stand komt, kan nog niet worden vooruitgelopen. Omdat de behoefte van de minderjarigen in totaal € 1.394,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 70,- per maand.
3.24.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als totale kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 411,- per maand.
Conclusie periode 3
3.25.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen kinderbijdrage van € 205,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.26.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Proceskosten
3.27.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen
  • met ingang van 24 oktober 2024 tot 1 januari 2025 wordt bepaald op € 358,- per maand per kind;
  • met ingang van 1 januari 2025 tot 1 juni 2025 wordt bepaald op € 191,- per maand per kind;
  • en met ingang van 1 juni 2025 wordt bepaald op € 205,- per maand per kind;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L. Visser, griffier, op 11 november 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.