ECLI:NL:RBROT:2025:13485

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1083
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aan een verzoeker in problematische schuldensituatie

Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak van de heer [verzoeker], die zich in een problematische schuldensituatie bevond. De heer [verzoeker] had een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Tijdens de zitting op 29 oktober 2025 werd duidelijk dat de heer [verzoeker] geen buitengerechtelijke schuldregeling had kunnen treffen, omdat de Belastingdienst niet wilde meewerken. De rechtbank oordeelde dat de heer [verzoeker] ontvankelijk was in zijn verzoek, ondanks dat zijn belastingschulden niet te goeder trouw waren ontstaan. De rechtbank besloot de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp, omdat hij inmiddels in loondienst was en zijn omstandigheden onder controle had gekregen. De rechtbank stelde de looptijd van de Wsnp-regeling vast op 18 maanden, ingaande op de datum van het vonnis. Tevens werd een bewindvoerder benoemd om de verplichtingen van de heer [verzoeker] te controleren en de boedel te beheren. De rechtbank benadrukte dat de heer [verzoeker] zich aan de verplichtingen van de Wsnp moet houden om uiteindelijk een 'schone lei' te verkrijgen, wat betekent dat schuldeisers hun vorderingen niet meer op hem kunnen verhalen. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 5 november 2025.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
[insolventienummer]
vonnis van: 5 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres 1] ,
[postcode 1] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ,
- de heer M. Draër, schuldhulpverlener bij Geldplein.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet de heer [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens de heer [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de Belastingdienst niet wil meewerken aan een schuldregeling. De Belastingdienst heeft aan schuldhulpverlening meegedeeld dat zij niet meewerkt omdat verzoeker geen bedragen heeft afgedragen aan de Belastingdienst, terwijl hij dit wel had moeten doen.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de Belastingdienst geen medewerking wilde verlenen aan het minnelijke traject. De heer [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
2.4.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de belastingschulden die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. De heer [verzoeker] is werkzaam geweest als zelfstandige. De heer [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat hij gelden had moeten reserveren voor de belastingdienst, maar dit niet heeft gedaan. Hij heeft de gelden, bestemd voor de belastingdienst aangewend om zijn vaste lasten te kunnen betalen.
Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.6.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat de heer [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden onder controle heeft gekregen. De heer [verzoeker] is inmiddels in loondienst. De onderneming van de heer [verzoeker] is met ingang van 1 januari 2024 uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel.
2.7.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat de heer [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.8.
De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.9.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.10.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.11.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.12.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het dossier door ziekte lang bij schuldhulpverlening is blijven liggen. Er is gedurende het minnelijk traject alleen afgelost in de maanden augustus, september en oktober 2025. De onderliggende salarisstroken ontbreken. De heer [verzoeker] heeft desgevraagd meegedeeld dat hij een auto van de zaak heeft. Hij heeft geen verklaring privégebruik aangevraagd, omdat hij de leaseauto nodig heeft om zijn storingsdiensten uit te voeren. Het rijden van privé-kilometers met een auto van de zaak heeft tot gevolg dat het nettoloon lager is. De rechtbank stelt vast dat hierdoor niet maximaal is afgelost. Bovendien heeft de heer [verzoeker] een rechtstreeks verzoek tot toepassing van de WSNP ingediend zonder dat er in het minnelijk traject een aanbod is gedaan aan de schuldeisers. De rechtbank ziet daarom in dit geval geen aanknopingspunten om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
2.14.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.6.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] -1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] , [postcode 1] [plaats]
voorheen handelend onder de namen
[handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] ,
gevestigd te [adres 2] , [postcode 2] [plaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 5 november 2025 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 5 mei 2027;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr.E.A. Vroom, rechter, in samenwerking met C. van der Velde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. [1]