ECLI:NL:RBROT:2025:13487

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1805 - FT RK 25/1806
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 284 FwArt. 287 FwArt. 285 FwArt. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening moratorium en beschermingsbewind bij huurachterstand

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet, gericht op het opschorten van de ontruiming van zijn huurwoning. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 22 mei 2025, met uitvoering gepland op 8 oktober 2025. Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek en heeft inmiddels beschermingsbewind aangevraagd en ingesteld per 27 oktober 2025.

Verweerster, de verhuurder, betwist het verzoek en wijst op eerdere wanbetalingen en het staken van schuldhulpverleningstrajecten door verzoeker. De rechtbank oordeelt echter dat er sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan, mede door de instelling van beschermingsbewind en de betaling van de huur van november 2025. De voorlopige voorziening wordt daarom voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

De voorziening biedt verzoeker een adempauze om het minnelijk schuldhulpverleningstraject voort te zetten en een regeling met schuldeisers te treffen, waarbij de beschermingsbewindvoerder verantwoordelijk is voor de betaling van de vaste lasten en het schuldhulpverleningstraject.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] / FT RK 25/1805 - [rekestnummer 2] / FT RK 25/1806
uitspraakdatum: 7 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 1 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 2 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 oktober 2025.
Ter zitting van 17 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker.
W.I. Weng, werkzaam bij Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders, heeft namens de stichting Woonbron (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Zij hebben daarin ook aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Namens verzoeker zijn op 3 november 2025 aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij JAW advocaten. Verzoeker heeft inkomsten uit een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt hij zorgtoeslag en huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen.
Tijdens de zitting is verzoeker de mogelijkheid geboden om versneld beschermingsbewind aan te vragen. Verzoeker heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Inmiddels is, per 27 oktober 2025, sprake van beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder zal zorgdragen voor de volledige en tijdige betaling van de vaste lasten, waaronder de huur. Ook zal de beschermingsbewindvoerder het minnelijk traject uitvoeren, aldus de advocaat van verzoeker. Verzoeker heeft bovendien de huur van november 2025 voldaan.

3.Het verweer

Verweerster heeft het standpunt in genomen dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Het vertrouwen van verweerster is al meerdere malen geschaad. Verzoeker heeft namelijk al vaker verklaard mee te willen werken aan een oplossing. In dat kader heeft hij ook eerder verklaard beschermingsbewind te hebben aangevraagd. Ook heeft hij zich eerder aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Vanuit de zijde van verzoeker zijn deze processen echter steeds weer gestaakt. Bovendien heeft verzoeker een geschiedenis als wanbetaler. De huurachterstand is door verzoeker ook niet ingelopen. Dit komt mede doordat hij niet altijd de volledige huur voldoet. Voor zover het verzoek wordt toegewezen, verzoekt verweerster te bepalen dat de voorziening vervalt indien de lopende huurtermijnen niet of niet stipt worden betaald. Subsidiair wordt daarbij verzocht om het verzoek toe te wijzen voor een kortere termijn dan zes maanden.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 23 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 22 mei 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomsten uit een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt hij huurtoeslag en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft ook een betaalbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huur van november 2025 is voldaan. Bovendien staat verzoeker inmiddels onder beschermingsbewind (in zoverre is de situatie nu anders dan door verweerster beschreven). Door het beschermingsbewind is ook gewaarborgd dat de huur voortaan volledig en tijdig wordt voldaan.
De beschermingsbewindvoerder is bovendien bevoegd om een minnelijk schuldhulpverleningstraject uit te voeren op grond van artikel 48 lid 1 van Pro de Wet op het consumentenkrediet. Door de advocaat van verzoeker is ook bevestigd dat het schuldhulpverleningstraject door de beschermingsbewindvoerder zal worden uitgevoerd. Nu de voorlopige voorziening al ruim twee maanden loopt, is daar haast bij geboden. De rechtbank acht echter niet op voorhand onaannemelijk dat de beschermingsbewindvoerder in staat is om binnen vier maanden een minnelijke regeling tot stand te brengen danwel een Wsnp-verzoek in te dienen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 22 mei 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
2 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.