Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet, gericht op het opschorten van de ontruiming van zijn huurwoning. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 22 mei 2025, met uitvoering gepland op 8 oktober 2025. Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek en heeft inmiddels beschermingsbewind aangevraagd en ingesteld per 27 oktober 2025.
Verweerster, de verhuurder, betwist het verzoek en wijst op eerdere wanbetalingen en het staken van schuldhulpverleningstrajecten door verzoeker. De rechtbank oordeelt echter dat er sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan, mede door de instelling van beschermingsbewind en de betaling van de huur van november 2025. De voorlopige voorziening wordt daarom voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
De voorziening biedt verzoeker een adempauze om het minnelijk schuldhulpverleningstraject voort te zetten en een regeling met schuldeisers te treffen, waarbij de beschermingsbewindvoerder verantwoordelijk is voor de betaling van de vaste lasten en het schuldhulpverleningstraject.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.