De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van gijzeling en poging tot afpersing in de periode van 9 tot en met 16 september 2022. Het slachtoffer zou door anderen zijn vastgehouden in een woning en gedwongen zijn tot betaling van een geldbedrag. Verdachte zou een rol als tussenpersoon hebben gespeeld.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, stellende dat verdachte het slachtoffer naar de woning had gebracht, de telefoon van het slachtoffer had meegenomen en als tolk had gefungeerd. De verdediging betoogde dat de feiten niet wettig en overtuigend bewezen konden worden.
De rechtbank oordeelde dat hoewel vaststond dat het slachtoffer was vastgebonden en gedwongen tot betaling, er onvoldoende bewijs was dat verdachte de tenlastegelegde handelingen had verricht. Er was geen bewijs van geweld of het verhinderen van het slachtoffer om te vertrekken. GPS-gegevens en andere bewijzen konden niet met zekerheid vaststellen dat verdachte de telefoon had meegenomen. De rol van verdachte als tussenpersoon was onvoldoende voor medeplegen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken op 31 januari 2025.