ECLI:NL:RBROT:2025:13570
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maandbedrag aflossing studieschuld op grond van Wet studiefinanciering 2000
Eiseres heeft een studieschuld opgebouwd op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en betwist de hoogte van het door de minister vastgestelde maandbedrag voor aflossing in 2024. De minister heeft het maandbedrag vastgesteld op €360,29, waarbij het inkomen van de partner op verzoek van eiseres niet is meegeteld bij de draagkrachtberekening, wat leidt tot een verlenging van de aflosfase.
Eiseres stelt dat ook bij de berekening van de afloscapaciteit via de NIBUD-tool geen rekening moet worden gehouden met het inkomen van haar partner, omdat zij onder de SF15-oud regeling valt. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht bij de afloscapaciteit wel het gezamenlijke inkomen en uitgaven van het huishouden heeft betrokken, aangezien dit noodzakelijk is voor een passende oplossing wanneer de debiteur aangeeft betalingsproblemen te ervaren.
De rechtbank bevestigt dat de wettelijke draagkrachtberekening uitgaat van het toetsingsinkomen van het peiljaar 2022 en dat het besteedbare inkomen niet relevant is. De minister heeft daarnaast begunstigend beleid om rekening te houden met de feitelijke financiële situatie via de NIBUD-lijst. De afloscapaciteit van eiseres is voldoende om het maandbedrag te voldoen, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard. Eiseres krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het maandbedrag voor aflossing van haar studieschuld wordt ongegrond verklaard.