Eisers zijn bij vonnis van 1 oktober 2025 veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan gedaagde 1. Gedaagde 1 heeft daarop executoriaal beslag gelegd op diverse roerende en onroerende zaken van eisers. Eisers vorderen in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in afwachting van hoger beroep.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen tegen gedaagde 2 en 3 worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Ten aanzien van gedaagde 1 wordt de vordering eveneens afgewezen. Er zijn geen kennelijke misslagen in het vonnis van 1 oktober 2025 vastgesteld. Eisers hebben nieuwe meetrapporten en producties te laat ingebracht en onvoldoende onderbouwd waarom deze niet eerder konden worden overgelegd.
De rechtbank weegt de belangen af en stelt vast dat het belang van gedaagde 1 bij executie zwaarder weegt dan het belang van eisers bij schorsing. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de executie leidt tot onomkeerbare situaties of noodsituaties. De proceskosten worden hoofdelijk aan eisers opgelegd.