ECLI:NL:RBROT:2025:13609
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging kinderalimentatiebeschikking na beëindiging relatie
Partijen hadden een affectieve relatie die in april 2024 eindigde, waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. De rechtbank had op 9 juli 2025 bepaald dat eiser €250 per kind per maand moet betalen als kinderalimentatie. Eiser stelde in hoger beroep te zijn gegaan en vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beschikking.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de criteria uit het Zeester-arrest van toepassing zijn, waarbij een beschikking uitvoerbaar bij voorraad is tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Een dergelijke misslag werd niet gesteld of aangetoond. De belangenafweging viel uit in het nadeel van eiser.
Eiser voerde aan dat zijn draagkracht onjuist was berekend en dat hij de erkenning van een kind wilde vernietigen, maar dit werd verworpen omdat hij juridisch vader bleef en onvoldoende inzicht gaf in zijn werkelijke inkomsten en woonlasten. De rechter concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet aan de alimentatieverplichting kon voldoen en wees de vordering af. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de kinderalimentatiebeschikking wordt afgewezen.