Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13625

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
C/10/707731 / JE RK 25-2037
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:261 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondertoezichtstelling minderjarige en beëindiging machtiging tot uithuisplaatsing

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van een minderjarige op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De minderjarige woont bij de vader, die geen gezag heeft, en de moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De zitting vond plaats met gesloten deuren waarbij de minderjarige zelf werd gehoord.

Hoewel de kinderrechter constateerde dat de zorgen rondom de minderjarige onverminderd aanwezig zijn en dat de hulpverlening nog niet volledig is afgerond, werd het verzoek toegewezen. Dit vanwege het feit dat de minderjarige bijna achttien jaar wordt, zelf geen contact meer wenst met de gecertificeerde instelling en de betrokkenen het verzoek steunen. De kinderrechter benadrukte het belang van de hulpverlening en een constructieve communicatie tussen ouders.

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader worden per 14 november 2025 opgeheven. De beslissing wordt direct uitvoerbaar verklaard, ook bij hoger beroep. De kinderrechter sprak de hoop uit dat de ouders het belang van de minderjarige voorop blijven stellen en dat zij de benodigde ondersteuning krijgt om zelfstandig te worden.

Uitkomst: De kinderrechter heft de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing per 14 november 2025 op en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707731 / JE RK 25-2037
Datum uitspraak: 14 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over opheffing van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen kantoorhoudende te Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 2 oktober 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder bijgestaan door mr. F. Pool, waarnemend voor mr. A.L. Witteveen;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot [geboortedatum] 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag, te weten de vader, verlengd tot [geboortedatum] 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] woont al een lange periode bij de vader. De vader ondersteunt haar op allerlei vlakken en het is veilig bij de vader. Het traject bij Focuz loopt en Focuz zal [minderjarige] blijven begeleiden tot zij achttien jaar oud is. Het vervolgtraject voor [minderjarige] voor na haar achttiende verjaardag is geregeld. Inmiddels heeft [minderjarige] het contact met de GI verbroken en de GI is van mening dat [minderjarige] haar eigen pad moet bewandelen. De GI ziet geen rol meer voor zichzelf weggelegd om in de tussentijd nog ergens aan te werken. De GI acht [minderjarige] en de vader in staat om zelf in het vrijwillige kader de hulpverlening voort te zetten. Daarnaast is [minderjarige] ouder dan zestien jaar en wil zij zelf graag bij de vader wonen waardoor een machtiging tot uithuisplaatsing niet meer nodig is, aldus de GI.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder is van mening dat de ondertoezichtstelling vanaf het begin niets heeft opgeleverd. De moeder wil het beste voor [minderjarige] en geeft aan dat zij dit zelf kan regelen en niemand daarvoor nodig heeft. Dat is altijd al zo geweest en het was goed voor [minderjarige] bij de moeder zoals het was. Bij de moeder krijgt [minderjarige] rust. De moeder heeft het gevoel dat zij de afgelopen tijd overal buitengehouden is en niet is geïnformeerd over [minderjarige] .
4.2.
De vader heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. [minderjarige] is over enkele maanden achttien jaar en het is nu aan [minderjarige] om te bepalen wat zij wil. De vader baalt ervan dat niet is gelukt om eerder te starten met de hulpverlening voor [minderjarige] . De vader wil dat er rust komt voor [minderjarige] en geeft aan dat het daarvoor ook belangrijk is dat de moeder niet ongevraagd voor zijn deur staat. De vader hoopt dat [minderjarige] contact kan hebben met beide ouders. De vader vindt het goed als zij bij de moeder wil verblijven. De vader hoopt dat [minderjarige] profijt heeft van het vervolgtraject.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 1:261 juncto Pro artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek kan de kinderrechter een ondertoezichtstelling opheffen indien de wettelijke gronden niet langer worden vervuld. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van de GI of een met het gezag belaste ouder of minderjarige van twaalf jaar of ouder.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de zorgen om [minderjarige] , ten opzichte van de beschikking van 19 maart jl. waarbij de kinderbeschermingsmaatregelen op verzoek van de GI tot haar achttiende verjaardag zijn verlengd, onverminderd aanwezig zijn.
5.3.
Zo heeft [minderjarige] nog geen dagbesteding en geen passende hulpverlening. De afspraken bij Focuz zijn inmiddels wel van start gegaan, maar de benodigde hulpverlening kan door Focuz niet geboden worden omdat [minderjarige] bijna achttien jaar wordt. De komende periode zal [minderjarige] daarom overbruggen bij Focuz om vervolgens na haar achttiende verjaardag elders behandeling te volgen.
5.4.
De hulpverlening is volgens de GI noodzakelijk om [minderjarige] weerbaarder te maken ten aanzien van de moeder. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] kenmerkt zich als ambivalent, waarbij sprake is (geweest) van fysieke escalaties. Tussen [minderjarige] en de moeder is een tijd lang geen contact geweest, maar ter zitting is gebleken dat [minderjarige] momenteel (tijdelijk) bij haar moeder verblijft. Het baart de kinderrechter zorgen dat de moeder ter zitting er weinig blijk van heeft gegeven de zorgen rondom [minderjarige] en hun ambivalente relatie te herkennen. Het is belangrijk dat de moeder zich naast dat wat anderen anders hadden moeten doen, ook bewust is van haar eigen houding en handelen. Dat is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] en voor het opbouwen van een stabiele en duurzame relatie met elkaar.
5.5.
[minderjarige] zit klem tussen de ouders, zoals zij zelf heeft aangegeven bij de kinderrechter. De ouders zijn tot op heden niet in staat om in het belang van [minderjarige] constructief met elkaar te communiceren en belangrijke beslissingen over haar te nemen. De GI heeft er vertrouwen in dat de vader samen met [minderjarige] in staat is om in het vrijwillig kader de hulpverlening voort te zetten en stelt zich op het standpunt dat er geen machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader meer nodig is om haar bij hem te kunnen laten verblijven. De GI lijkt er daarbij echter aan voorbij te gaan dat de vader, anders dan de moeder, niet is belast met het ouderlijk gezag en dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader, mede gezien de huidige situatie, allerminst een gegeven is. Met de huidige maatregelen, de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, is het verblijf van [minderjarige] bij de vader tot haar achttiende verjaardag juridisch gewaarborgd. Dat is zonder de maatregelen niet het geval.
5.6.
Gelet op het voorgaande heeft de kinderrechter moeite met het verzoek van de GI om, twee maanden voor de achttiende verjaardag van [minderjarige] , de ondertoezichtstelling te beëindigen. De conclusie dat voldaan is aan de gronden voor een opheffing van de ondertoezichtstelling kan nauwelijks worden getrokken. Daar waar de GI blijkens de beschikking van 19 maart jl. zich nog op het standpunt stelde dat het belangrijk is dat de GI de regie houdt en het proces kan bewaken, geeft de huidige situatie daar weinig blijk van. Anderzijds wil de kinderrechter niet haar ogen sluiten voor de omstandigheid dat inmiddels alle betrokkenen, ieder om hun eigen redenen, achter het verzoek van de GI staan. Voor de kinderrechter is het doorslaggevend dat [minderjarige] zelf aangeeft geen contact meer te willen met de GI en dat zij niks meer van de GI verwacht. Zij heeft de jeugdbeschermer zelfs geblokkeerd. Van een doelmatige uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen kan de komende maanden dan ook geen sprake meer zijn. Dat maakt dat de kinderrechter zal concluderen tot toewijzing van het verzoek.
5.7.
De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders de komende periode en ook nadat [minderjarige] achttien jaar oud is geworden, haar belang voorop zullen stellen, dat [minderjarige] zich minder tussen de ouders in voelt staan en dat [minderjarige] de hulpverlening krijgt die zij nodig heeft. [minderjarige] heeft de steun en aandacht van beide ouders nodig om te kunnen werken aan haar zelfstandigheid, haar behandeling aan te gaan en haar dagbesteding op te pakken. Dit alles zodat zij zich uiteindelijk hopelijk vooral druk mag maken over dingen waar haar leeftijdsgenoten zich mee bezig houden.
5.8.
Nu de kinderrechter het verzoek zal toewijzen, wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 14 november 2025 opgeheven. Nu de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt beëindigd, zal de machtiging tot uithuisplaatsing bij de ouder zonder gezag, te weten de vader, per 14 november 2025 ook zijn kracht verliezen. De machtiging tot uithuisplaatsing kan immers niet zonder een ondertoezichtstelling bestaan.
5.9.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek toe;
6.2.
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 14 november 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.