ECLI:NL:RBROT:2025:13643

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
25-009774
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94a SvArt. 103 SvArt. 31 Vo EOMArt. 32 Vo EOM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake inbeslagname auto op verzoek Belgische autoriteiten

Op 5 februari 2025 vond een doorzoeking plaats op het woonadres van klager in Nederland, waarbij een Audi A8 in beslag werd genomen op verzoek van de Belgische gedelegeerd Europees aanklager (EDP) in het kader van een onderzoek naar georganiseerde BTW-fraude en aanverwante strafbare feiten.

Klager diende op 14 april 2025 een klaagschrift in tegen het beslag, stellende dat er geen wettelijke grondslag was, hij niet als verdachte was aangemerkt, en dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond. Tevens werd verzocht om inzage in het procesdossier.

De rechtbank oordeelde dat het beslag op grond van artikel 94a Sv en met machtiging van de rechter-commissaris op 10 februari 2025 was gelegd en dat aan de formele vereisten was voldaan. De toetsing van de rechtmatigheid van het beslag behoort toe aan de Belgische rechterlijke autoriteit, niet aan de Nederlandse rechtbank.

Het verzoek van klager om inzage in aanvullende stukken werd afgewezen vanwege het zwaardere belang van vertrouwelijkheid. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en bevestigde het beslag.

Uitkomst: Het beklag tegen de inbeslagname van het voertuig wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Raadkamernummer: 25-009774
Beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:

[klager] (klager),

wonende op het adres [adres], [postcode] [woonplaats],
voor deze zaak domicilie kiezende te Amsterdam, ten kantore van hun raadslieden mr. R. Jeronimus en mr. R.J. de Jong.

Procedure

Op 14 april 2025 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 16 oktober 2025 door de raadkamer in het openbaar behandeld.
De officier van justitie mr. P.P.A.M. Notenboom en de gemachtigde raadslieden mrs. Jeronimus, de Jong en Verschoor zijn gehoord.

Feiten

Op 5 februari 2025 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het woonadres van klager in [woonplaats]. Deze doorzoeking heeft plaatsgevonden op verzoek van de Belgische gedelegeerd Europees aanklager (EDP) in het kader van – kortgezegd – georganiseerde BTW-fraude en daarmee verbonden strafbare feiten, zoals valsheid in geschrift over de jaren 2023 en 2024. Bij de doorzoeking is een voertuig met kenteken [kenteken] (Audi A8) in beslag genomen. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94a Sv, krachtens de door de rechter-commissaris op 10 februari 2025 verleende schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 103, eerste lid, Sv.

Standpunt klager en standpunt officier van justitie

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op het voertuig. Aangevoerd is dat er geen (internationale) wettelijke grondslag is voor het beslag. De klager is niet als verdachte aangemerkt en er bestaat geen redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van hem. Ook ontbreekt de machtiging voor de inbeslagname van het voertuig. Verder is nog aangevoerd dat de klager recht heeft op inzage in het procesdossier.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard, nu aan de formele vereisten voor het beslag is voldaan.

Beoordeling klacht

De Nederlandse EDP (de assisterende EDP) heeft uitvoering gegeven aan het verzoek van de Belgische EDP (de behandelende EDP) om de Audi A8 in beslag te nemen. Het beslag is gelegd op grond van de EOM-Verordening (EU 2017/1939) (Vo EOM
Gelet op de bewoordingen van de artikelen 31 en 32 Vo EOM, de context daarvan en de doelstellingen van de verordening, mag de toetsing die in de lidstaat van de assisterend EDP wordt verricht wanneer voor een toegewezen onderzoeksmaatregel rechterlijke toestemming is vereist (waar in dit geval sprake van is) krachtens het recht van deze lidstaat enkel betrekking hebben op de aspecten betreffende de tenuitvoerlegging van deze maatregel en niet op de aspecten betreffende de rechtvaardiging en de vaststelling ervan.
Voor het leggen van beslag ex artikel 94 a Sv is naar Nederlands recht op grond van artikel 103, eerste lid, Sv een machtiging conservatoir beslag van de rechter-commissaris vereist. Deze is op 10 februari 2025 verleend. De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het beslag is voldaan. Voor het overige bestaat er geen rechtsgrond voor de door de klager verzochte toetsing ten aanzien van de rechtmatigheid van het beslag. Die toetsing is voorbehouden aan de rechterlijke autoriteit in België en dient te worden beoordeeld op basis van het nationale recht van België. Oftewel indien de verdediging meent dat sprake is van onrechtmatigheid van het beslag en/of dat daarbij is gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, kan daarover verweer worden gevoerd in de strafzaak tegen de klager in België.
De rechtbank wijst het verzoek van klager om de verdere stukken (de artikel 31 maatregel Pro, de aanvullende verzoeken en het EBB) te mogen inzien af. De rechter oordeelt dat het belang van vertrouwelijkheid van de genoemde stukken, waarin mogelijk meerdere en nog niet uitgevoerde handelingen worden beschreven, zwaarder weegt dan het belang van volledige inzage voor de verdediging. De rechtbank heeft zelf wél inzage gehad in de stukken met betrekking tot de onderzoeksmaatregel en stelt vast dat deze mede betrekking hebben op klager. Zoals hierboven reeds vermeld is aan de formele vereisten van het beslag voldaan en aan een verdere toets komt de rechtbank niet toe.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.P. van de Beek, voorzitter,
en mrs. J. van de Klashorst en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. van Wingerden, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.