Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw C. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft verzoeker op 18 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 22 oktober 2025 bepaald. Tijdens de zitting zijn zowel verzoeker als verweerster gehoord. Verzoeker, die in financiële problemen verkeert, heeft zich aangemeld bij schuldhulpverlening en heeft een uitkering aangevraagd op basis van de Participatiewet. De gemeente heeft een voorschot verstrekt, en er is budgetbeheer ingesteld om ervoor te zorgen dat de huur tijdig wordt betaald. Verweerster heeft echter aangegeven dat de huur sinds juli 2025 niet meer is betaald en dat er een ontruimingsvonnis van 9 november 2022 is. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie voor verzoeker, wat aanleiding geeft tot het toewijzen van de voorlopige voorziening. De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van verzoeker om in de huurwoning te blijven zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen. De voorlopige voorziening is toegewezen voor de duur van zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan in de toekomst een nieuw verzoek indienen.