Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- vrijspraak van het onder 2 van dagvaarding 10/149815-24 ten laste gelegde en het onder 5 van dagvaarding 01/086569-23 ten laste gelegde;
- bewezenverklaring van het onder 1, 3 en 4 van dagvaarding 10/149815-24 ten laste gelegde, het onder 1, 2, 3 en 4 van dagvaarding 01/086569-23 ten laste gelegde en het onder 1 en 2 van dagvaarding 01/258129-22 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging. Daarnaast oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de aangeefster [aangeefster 1] en [aangeefster 2] , te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 week per overtreding van de maatregel met een maximum van 26 weken, voor een periode van 5 jaar;
- afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/087287-23, indien de eis gevolgd wordt.
4.Waardering van het bewijs
5.Strafbaarheid feiten
4. feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf en maatregel
De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling.
8.Vordering benadeelde partij & schadevergoedingsmaatregel
9.Vordering tenuitvoerlegging
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Bijlagen
12.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;
ter beschikking wordt gesteld;
van overheidswege wordt verpleegd;
€ 3.000(zegge: drieduizend euro),bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen
€ 3.000 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 3.000 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
40 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;