Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer [persoon A] , partner van verzoekster;
- mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een tweede moratoriumverzoek in op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Eerder was een moratorium voor vier maanden toegekend. Verzoekster stelde dat zij en haar partner voldoende inkomen hebben om de huur te betalen en dat zij zich recentelijk bij schuldhulpverlening hebben aangemeld.
De verhuurder stelde dat de huurachterstand groot is, dat betalingen te laat zijn voldaan en dat de huur voor oktober 2025 onbetaald is gebleven. Tevens stelde de verhuurder dat verzoekster met haar minderjarige kind niet in de koopwoning van haar partner woont, terwijl dat mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het ontruimingsvonnis en exploot. Echter, het is onvoldoende aannemelijk dat de huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het eerste moratorium is niet benut om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen. Het belang van de verhuurder weegt daarom zwaarder dan dat van verzoekster.
De rechtbank wijst het tweede moratoriumverzoek af en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
Uitkomst: Het tweede moratoriumverzoek wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.