ECLI:NL:RBROT:2025:13715

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1729 – FT RK 25/1730
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening in het kader van een faillissementsprocedure met betrekking tot huurbetalingen

In deze zaak heeft verzoekster op 22 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 287b van de Faillissementswet, waarin zij vroeg om een voorlopige voorziening. Dit verzoek volgde op een eerder toegewezen moratorium van vier maanden. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift meerdere keren uitgesteld, onder andere omdat verzoekster zich ziek meldde. Tijdens de zitting op 13 oktober 2025 werd de advocaat van verzoekster gehoord, die stelde dat verzoekster in staat was om de huurtermijnen te voldoen, ondanks een achterstand. Verzoekster had een netto inkomen van ongeveer € 2.400 per maand en haar partner, die als zelfstandige werkt, zou binnenkort een pensioen ontvangen. De advocaat voerde aan dat er voldoende inkomen was om de huur van € 1.464,20 per maand te betalen en dat er slechts één schuldeiser was, de verhuurder.

Verweerster, de verhuurder, betwistte het verzoek en stelde dat de huurtermijnen over de maanden juli, augustus en september 2025 te laat waren voldaan en dat de huur over oktober 2025 onbetaald was gelaten. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een bedreigende situatie, maar dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen. De rechtbank concludeerde dat het onvoldoende aannemelijk was dat de lopende huurtermijnen konden worden voldaan en dat verzoekster de periode van het eerder toegewezen moratorium niet had gebruikt om een regeling met haar schuldeiser te treffen. De rechtbank verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
[rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 22 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2025. Verzoekster heeft zich kort voor de zitting van 9 oktober 2025 ziek gemeld. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift vervolgens bepaald op 13 oktober 2025.
Ter zitting van 13 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [persoon A] , partner van verzoekster;
  • mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster.
De heer J.A. van Emden, werkzaam bij Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders B.V. heeft namens Custodian Vesteda Fund 1 B.V. (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Verweerster heeft in de begeleidende brief bij het verweerschrift tevens laten weten dat er namens verweerster niemand ter zitting aanwezig zal zijn.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. Ter zitting heeft de advocaat van verzoekster het verzoekschrift aangevuld en subsidiair verzocht om het verzoek voor de duur van drie maanden toe te kennen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij een netto inkomen heeft van ongeveer
€ 2.400,-- per maand. De partner van verzoekster is werkzaam als zelfstandige en verwerft hier naar zijn zeggen een stabiel inkomen mee. Daarnaast zal de partner van verzoekster op korte termijn, omdat hij inmiddels is gestopt als professioneel voetballer, een pensioen ontvangen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 1.464,20 per maand te betalen. In september 2025 zijn er vier huurtermijnen voldaan. Bij de overschrijving voor deze huurtermijnen staat vermeld dat deze betalingen betrekking hebben op de huur over de maanden juni, juli, augustus en september 2025. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de huur over de maand juni 2025 al was betaald en dat de betaling met de omschrijving “juni” moet worden gelezen als betaling van de huur voor de maand oktober 2025.
Op 24 juli 2025 is reeds een eerste moratorium afgekondigd voor de duur van vier maanden. Doordat de opdrachtgevers van de partner van verzoekster zijn facturen te laat betaalden, konden de lopende huurtermijnen niet tijdig worden voldaan. De advocaat stelt dat thans maandelijks voldoende inkomen wordt ontvangen om de lopende huurtermijnen te voldoen en stelt zich op het standpunt dat verzoekster nog een laatste kans verdient. Er is slechts sprake van één schuldeiser, namelijk de verhuurder. De advocaat verwacht dat verzoekster binnen enkele maanden een voorstel van 100% aan de verhuurder kan doen. Verzoekster heeft desgevraagd meegedeeld dat zij zich recent heeft aangemeld bij schuldhulpverlening. Na het eerste toegewezen moratoriumverzoek is er wel een afspraak geweest met schuldhulpverlening. De partner van verzoekster heeft destijds aangegeven dat hij verwacht een aanbod van 100% aan de schuldeiser(s) te kunnen voldoen. Schuldhulpverlening is in afwachting van bericht hieromtrent. Het is juist dat de partner van verzoekster een woning te Dordrecht in eigendom heeft. Deze woning is inmiddels verkocht en zal in september 2026 leeg en bezemschoon worden opgeleverd.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huurtermijnen over de maanden juli, augustus en september 2025 zijn pas op 18 september 2025 voldaan, dus te laat. De huur over de maand oktober 2025 is onbetaald gelaten. De achterstand tot en met oktober 2025 bedraagt ongeveer € 18.000,--. Dat verzoekster met haar minderjarige kind in het gehuurde woont is niet voldoende om het verzoek toe te wijzen. Het ontgaat verweerster waarom verzoekster met haar minderjarige kind niet gaat wonen in de koopwoning van de partner van verzoekster te Dordrecht. Van verweerster kan niet verwacht worden dat zij verzoekster nog langer in de woning laat verblijven.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 12 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 april 2025 ten uitvoer kan leggen.
Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Bij vonnis van deze rechtbank van 24 juli 2025 is een eerste moratorium toegewezen voor vier maanden. De voorwaarden van dit eerste moratorium zijn geschonden, omdat de huur over de maanden juli tot en met september 2025 onbetaald zijn gelaten. De huurtermijnen over voornoemde maanden zijn pas op 17 september 2025 respectievelijk 18 september 2025 voldaan. Verweerster meldt in haar verweerschrift dat de huur over de maand oktober 2025 onbetaald is gelaten. De mededeling van de advocaat van verzoekster dat de huurbetaling met de omschrijving “juni” moet worden gelezen als zijnde de betaling van de huur over de maand oktober 2025 slaagt niet. Uit de thans voorliggende stukken kan de rechtbank niet opmaken dat de huur over de maand juni 2025 reeds was voldaan. Uit de wet vloeit voort op welke wijze betalingen door een schuldeiser worden afgeboekt. De rechtbank stelt vast dat, mocht de huur over de maand juni 2025 al zijn voldaan, de betaling met de omschrijving juni 2025 door de verhuurder is afgeboekt op de huurachterstand.
Daarnaast heeft verzoekster de periode van het eerder toegewezen moratorium niet gebruikt om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen. Verzoekster heeft ter zitting meegedeeld dat zij zich pas recent heeft aangemeld bij schuldhulpverlening. Verzoekster heeft verklaard dat er slechts sprake is van één schuldeiser, te weten de verhuurder. Het had op de weg van verzoekster gelegen om reeds vanaf het toewijzen van het eerste moratoriumverzoek aan te tonen dat zij doende is een regeling met deze schuldeiser te treffen, dan wel aan te tonen hoe het aanbod van 100% aan de schuldeiser tot stand zal komen. Het belang van verweerster dient daarom zwaarder te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.