ECLI:NL:RBROT:2025:13722

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/10/707498 / JE RK 25-2007
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 31 oktober 2025, is het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] te verlengen, afgewezen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over [minderjarige] voortduren, maar dat de huidige uithuisplaatsing niet noodzakelijk is voor haar verzorging en opvoeding. De ouders van [minderjarige] zijn betrokken en liefdevol, en er zijn mogelijkheden voor hulpverlening vanuit de thuissituatie. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de ouders en [minderjarige] samen de zorgen kunnen aanpakken en dat de uithuisplaatsing niet effectief is gebleken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft de hoop uitgesproken dat een nieuwe uithuisplaatsing in de toekomst niet nodig zal zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707498 / JE RK 25-2007
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]en
[de vader],
hierna te noemen: de moeder en de vader, tezamen te noemen: de ouders, wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. M.F.C. Gommans uit Rotterdam,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 30 september 2025;
  • het door de GI nagezonden psychologisch onderzoeksrapport met bijlage van [zorgaanbieder] , ontvangen op 14 oktober 2025;
  • het verweerschrift van mr. M.F.C. Gommans van 30 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders met hun advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Berber, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met een tolk Berber. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [zorgaanbieder] in [plaats 2] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 september 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 juli 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Na de vorige zitting van 2 september 2025 zijn er 8 incidenten geweest. Zo heeft [minderjarige] met verschillende mannen contact onderhouden en heeft zij meermaals verbale agressie getoond op de groep, waarbij zij de begeleiding bedreigd heeft. Daarnaast is ze verschillende keren weggelopen en heeft ze twee onbekende mensen binnengelaten op de groep, wat voor zowel de andere kinderen op de groep als voor [minderjarige] een onveilige situatie creëerde. Kort voor haar vorige kindgesprek op 2 september 2025 heeft [minderjarige] tevens een jongen naar de rechtbank laten komen en heeft zij intieme filmpjes met hem gemaakt op het invalide toilet. De GI heeft de beelden zelf niet gezien maar [minderjarige] heeft deze aan haar begeleider getoond. Daarnaast is [minderjarige] op 4 september 2025 aangehouden geweest op verdenking van diefstal en mishandeling. Op 13 september 2025 heeft [minderjarige] aangegeven dat ze door de vader op haar hoofd geslagen zou zijn en geduwd. Ook haar telefoon zou de vader kapot hebben gegooid en de politie heeft hierbij moeten ingrijpen. Hierna is er een Veilig Thuis melding binnengekomen. Desgevraagd geeft de GI ter zitting aan voornoemde incidenten met de ouders besproken te hebben en intensief contact met hen te onderhouden, maar dat zij deze incidenten niet heeft opgenomen in haar verzoekschrift.
Los van deze incidenten lijkt het de afgelopen weken beter te gaan met [minderjarige] op de groep en laat zij een stijgende lijn zien. De GI heeft haar twijfels over de intenties van [minderjarige] en vraagt zich af of [minderjarige] dit gedrag laat zien omdat ze weet dat de zitting weer dichtbij komt. Dit gedrag liet [minderjarige] immers kort voor de vorige zitting ook zien. De begeleiding lijkt op dit moment bij [minderjarige] aan te sluiten, maar heeft ook aangegeven dat [minderjarige] gezegd zou hebben dat ze zich wel weet te gedragen tot de GI niet meer betrokken is. Het onderzoeksrapport is de afgelopen periode afgerond en hieruit volgen een aantal adviezen, waarna de GI het gezin heeft aangemeld voor SPAM. Het idee is dat er onder begeleiding van SPAM geleidelijk opgebouwd kan worden naar huis. Verder zou ook de traumabehandeling van [minderjarige] direct kunnen starten. Op dit moment volgt [minderjarige] emotie-regulatie therapie op de groep. Het is positief dat het vertrouwen tussen [minderjarige] en de begeleiding nu langzamerhand lijkt te zijn opgebouwd en dat zij inmiddels is gestart met IVIO (online thuisonderwijs) omdat er zorgen zijn over of regulier onderwijs passend is voor [minderjarige] . In het geval dat [minderjarige] langer bij [zorgaanbieder] blijft is er een symbiose voorziening voor haar geadviseerd, het doel daarvan zou zijn om zo veel mogelijk regulier onderwijs voor [minderjarige] te behouden. De betreffende school bevindt zich echter wel in [plaats 2] , indien [minderjarige] weer naar huis zou gaan is speciaal voortgezet onderwijs passender.

4.Het standpunt van de ouders

Door en namens de ouders is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Veel informatie die de GI zojuist ter zitting heeft gedeeld is onbekend bij de ouders. De ouders zijn hier behoorlijk van geschrokken en dit illustreert tegelijkertijd wat voor samenwerking zij op dit moment met de GI hebben. De onderhavige situatie doet de ouders verdriet en zij hebben heel veel zorgen over [minderjarige] . Zij willen het beste voor [minderjarige] en zien dat zij achteruit gaat. De ouders hebben vanaf het begin aangegeven dat [minderjarige] seksueel geweld heeft meegemaakt. De ouders hebben verzocht het onderzoeksrapport van [minderjarige] op dit punt aan te passen, nu hierin is opgenomen dat [minderjarige] aangerand zou zijn terwijl er sprake is geweest van verkrachting waarvoor de dader ook is vervolgd. De ouders hebben de afgelopen tijd herhaaldelijk gevraagd of er onderzoek gedaan kon worden naar de vraag of [minderjarige] kampt met trauma. Dat uit de onderzoeksresultaten inmiddels blijkt dat [minderjarige] kampt met trauma is voor de ouders zodoende geen verrassing. De ouders vragen hulp en erkennen dat zij handelingsverlegen zijn. Zij zijn blij dat nu ook uit het onderzoeksrapport blijkt dat ouders begeleiding nodig hebben. Helaas is de hulp nog altijd niet gestart. Op dit moment verblijft [minderjarige] op een open groep waar [minderjarige] te weinig begrensd wordt. [minderjarige] loopt weg en het is de vader die haar dan s ’nachts gaat zoeken. De ouders vragen zich daarom af wat in de huidige situatie de meerwaarde is van het verblijf van [minderjarige] op de groep. Dat [minderjarige] gisteravond bij de ouders verbleef vanwege de zitting vandaag, is tevens niet de eerste keer dat [minderjarige] bij de ouders verblijft in plaats van op de groep. Dit is de afgelopen periode vaker voorgekomen. De ouders zijn erg betrokken en rijden veel op en neer naar [plaats 2] . De ouders zijn echter alleen welkom op dinsdag en donderdag. De vader erkent dat hij de telefoon van [minderjarige] uit wanhoop heeft stuk gegooid en dat dit niet de schoonheidsprijs verdiend. Dat de GI ter zitting aangeeft dat [minderjarige] mogelijk nu alleen maar haar best doet vanwege de zitting, kan ook aan de GI verweten worden. [minderjarige] is immers pas sinds een week met IVIO begonnen terwijl dit op de zitting van 2 september 2025 al werd toegezegd. De ouders denken dat [minderjarige] thuis veiliger is en dat zij vanuit daar beter geholpen kan worden. De ouders staan voor alle hulp open. Zij verzoeken daarom om afwijzing van het verzoek van de GI. Desgevraagd geven de ouders aan dat zij afspraken gemaakt hebben met [minderjarige] over hoe het voortaan gaat als zij weer bij hen thuis is. De vader is tevens in contact met een school die [minderjarige] mogelijk aan wil nemen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Dat er zorgen zijn over het welzijn van [minderjarige] , staat wel vast.
5.2.
Deze zorgen zijn gelegen in het zelfbepalende en grensoverschrijdende gedrag dat [minderjarige] laat zien. Eerder leidde dit tot escalaties thuis, waarbij [minderjarige] ook agressief gedrag liet zien. Daarnaast liep [minderjarige] veel weg van huis en bracht zij zichzelf en anderen in onveilige situaties. Verder volgde [minderjarige] langere tijd geen onderwijs en waren er zorgen over de impact van een ingrijpende gebeurtenis die [minderjarige] op 8-jarige leeftijd heeft meegemaakt. Zij is toen verkracht door een onbekende. Omdat de problematiek van [minderjarige] het vrijwillig kader oversteeg en het de ouders niet lukte [minderjarige] voldoende te begrenzen is [minderjarige] onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat de zorgen over [minderjarige] sinds haar plaatsing bij [zorgaanbieder] niet zijn afgenomen. [minderjarige] loopt nog steeds veel weg en brengt zichzelf en anderen in onveilige situaties. Haar dag en nacht ritme is nog altijd verstoord en ook zijn er nog steeds zorgen over de contacten die [minderjarige] heeft ten opzichte van jongens. De kinderrechter constateert daarom dat de zorgen die er over [minderjarige] zijn, voortduren ongeacht haar verblijfplaats.
5.4.
Inmiddels is het persoonlijkheidsonderzoek van [minderjarige] afgerond en volgt hieruit dat de ouders en [minderjarige] baat hebben bij ambulante ondersteuning in de thuissituatie of systemische therapie, waarbij de ouders handvaten krijgen om grenzen aan [minderjarige] te stellen op een consistente, warme en duidelijke manier. Voor [minderjarige] zelf is traumatherapie geadviseerd met aansluitend emotie- regulatie therapie. De kinderrechter stelt vast dat deze vormen van hulpverlening ook vanuit huis aan [minderjarige] en haar ouders geboden kunnen worden en dat deze vorm van hulpverlening eerst moet worden ingezet en afgewacht. Het uitgangspunt is immers dat kinderen bij hun ouders opgroeien waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing een uiterste redmiddel is. Met andere woorden: alle andere mogelijkheden moeten zijn uitgeput op het moment dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend.
5.5.
Vanwege het zorgen over [minderjarige] is zij recent voor korte duur uithuisgeplaatst bij [zorgaanbieder] . Die uithuisplaatsing heeft de zorgen niet doen afnemen en is daarmee onvoldoende effectief gebleken. De ouders van [minderjarige] zijn zorgzaam en liefdevol naar [minderjarige] toe en staan meer dan open voor hulpverlening om [minderjarige] te helpen en ondersteunen. [minderjarige] zelf voelt sinds de uithuisplaatsing de zorg en liefde van haar ouders voor haar. Ouders en [minderjarige] zijn gemotiveerd om samen de zorgen over [minderjarige] op te pakken en te adresseren. Aangezien het uiterste redmiddel van de uithuisplaatsing op dit moment niet meer effectief blijkt te zijn, en de zorgen vanuit de thuis situatie ook opgepakt kunnen worden, moet de beslissing zijn dat er andere mogelijkheden zijn dan een uithuisplaatsing en daarom wordt het verzoek afgewezen. Als de machtiging tot uithuisplaatsing om wat voor reden dan ook in de toekomst opnieuw noodzakelijk blijkt, kan de GI een nieuw verzoek bij de rechtbank indienen. De kinderrechter hoopt dat het zover niet hoeft te komen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025 door mr. H. Mol, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.