Eiser maakte bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor de bouw van een schuur op een perceel met bestemming 'Tuin' en 'Wonen'. Hij stelde dat de schuur binnen de beschermingszone van een watergang lag en dat het college ten onrechte geen instemming van het Waterschap had gevraagd. Het college handhaafde het besluit, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het college het Waterschap slechts om advies had gevraagd, terwijl instemming vereist was op grond van artikel 4.24 van het Omgevingsbesluit. Hoewel de schuur later werd verplaatst zodat een watervergunning niet meer nodig was, was het initiële besluit onrechtmatig. De rechtbank vernietigde daarom het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege het wijzigingsbesluit.
Verder stelde eiser dat het maximaal toegestane bebouwde oppervlak werd overschreden en dat de schuur niet functioneel was voor de tuin. De rechtbank vond dat het college dit voldoende had gemotiveerd en wees dit bezwaar af. Ook het beroep op het verbod van vooringenomenheid bij de ambtelijke hoorcommissie faalde. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van verletkosten af wegens onvoldoende onderbouwing, maar kende wel griffierecht en reiskosten toe.
De uitspraak bevestigt het belang van correcte procedurele instemming van het Waterschap bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en benadrukt dat afwijkingen van het omgevingsplan goed gemotiveerd moeten zijn. Het wijzigingsbesluit maakte het ontbreken van instemming uiteindelijk irrelevant voor de uitvoering van de schuur.