ECLI:NL:RBROT:2025:13770

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
10/222220-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mensenhandel en medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijf van minderjarigen op haventerrein

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mensenhandel en medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijf van twee minderjarigen. De verdachte, geboren in 1996, was ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd. De tenlastelegging omvatte het medeplegen van criminele uitbuiting van twee minderjarigen, medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijf op een haventerrein en rijden zonder rijbewijs. De rechtbank oordeelde dat de verdachte de minderjarigen naar het haventerrein had vervoerd met het oogmerk van uitbuiting, wat bewezen werd geacht aan de hand van chatberichten en verklaringen van de betrokkenen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan mensenhandel, terwijl de minderjarigen nog geen achttien jaar oud waren. De verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit van medeplegen van wederrechtelijk verblijf, maar werd wel medeplichtig bevonden. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van €360. De uitspraak benadrukte de ernst van de feiten, vooral gezien de kwetsbaarheid van de minderjarigen en de rol van de verdachte in hun uitbuiting.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/222220-25
Datum uitspraak: 19 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1996,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief
gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het primair onder 2 ten laste gelegde (medeplegen van wederrechtelijk verblijven op een haventerrein);
  • bewezenverklaring van het onder 1 (medeplegen van criminele uitbuiting van twee minderjarigen), subsidiair onder 2 (medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijven op een haventerrein) en het onder 3 (rijden zonder rijbewijs) ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd in het over de verdachte opgemaakte rapport van 28 oktober 2025;
  • een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Feiten en omstandigheden
Op 10 augustus 2025 omstreeks 01:43 uur zijn verbalisanten van de Zeehavenpolitie opgeroepen om naar het haventerrein van de EECV aan de [adres 1] te gaan. Door cameratoezicht van de Douane wordt gezien dat twee personen op het haventerrein lopen. Zij zien omstreeks 02:14 uur beide personen rennend in beeld komen richting de gangway van [naam schip], dat was afgemeerd aan de kade van de EECV. Ter hoogte van de gangway was er een vorm van contact met een bemanningslid van de [naam schip], waarna de twee personen weggerend zijn in de richting van ADM Europoort. Een kraanmachinist op het terrein van EECV heeft omstreeks 02:20 uur een melding gemaakt van twee personen die langs de waterkant liepen in de richting van de ADM terminal. Zij zouden volgens hem onder het hek door zijn gegaan.
Omstreeks 02:40 uur wordt door de Douane gezien dat een witte Toyota Yaris met kenteken [kenteken] aan komt rijden richting ADM Europoort. Dit voertuig seint meerdere keren naar de twee eerdergenoemde personen, waarna zij in het voertuig stappen. Niet veel later wordt de genoemde auto stilgezet en worden de inzittenden van het voertuig aangehouden. De twee personen die als bijrijders worden aangehouden, blijken de zestienjarige [minderjarige 1] en de dertienjarige [minderjarige 2] te zijn. Zij komen overeen met de personen die op de beelden van het haventerrein te zien zijn. Als bestuurder wordt aangehouden de [verdachte].
De telefoons van alle drie de personen worden in beslag genomen en uitgelezen. Uit de telefoons van de twee minderjarigen blijkt duidelijk wat zij daar gingen doen, namelijk ’s nachts op het haventerrein
‘tassen pakken’. Uit de telefoon van [minderjarige 1] (het meisje) blijkt dat zij hier
“35 k”voor zou krijgen en dat zij geen nee kon zeggen.
Uit de telefoon van de verdachte blijkt onder andere dat hij met de naam [naam ] deelneemt aan verschillende Snapchatgesprekken. Aan hem wordt op 9 augustus 2025 door de gebruiker [gebruiker 1] aangeboden:
“Er is djoenta haven alleen afzetten op die boys wachten en dan naar locatie”, “5k voor de driver”.Verdachte stemt hier vervolgens mee in. Via verschillende Snapchat-groepsgesprekken wordt met hem contact gehouden over de klus. Er worden adressen gestuurd waar hij de personen moet ophalen. Daarnaast wordt door andere gebruikers in de groepschat gesproken over een
‘kamikaze actie’Tijdens de klus onderhoudt de verdachte contact met de andere personen in de groepschat. Door de verdachte wordt onder andere gestuurd:
“Dit zijn geen soldaten bro, dit zijn kids”en
“Broer deze meid heeft nooit gedaan, deze boy ook niet”. Door de gebruiker [gebruiker 2] wordt gestuurd
“als het gelukt is krijg je 10k stijf”.
Ter zitting heeft de verdachte onder andere verklaard dat hij een klus aangeboden heeft gekregen via Snapchat om personen te vervoeren naar de haven; hier zou hij 4 à 5.000 euro voor krijgen. Hij wist dat de personen tassen moesten ophalen op het haventerrein. Toen het meisje bij hem instapte, zag hij dat zij nog erg jong was en dacht hij: dit klopt niet. Hij kon naar eigen zeggen toen niet meer terug.
4.2.
Bewijswaardering
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem onder 1 ten laste gelegde criminele uitbuiting van de twee minderjarigen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte oogmerk van uitbuiting heeft gehad. Voorts kan de verdachte in de rol van chauffeur enkel aangemerkt worden als medeplichtige en niet als medepleger.
Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 2 stelt de verdediging dat geen medeplegen kan worden vastgesteld, zodat hooguit de subsidiaire variant van medeplichtigheid overblijft. Te dien aanzien refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Dat geldt ook voor het rijden zonder rijbewijs, ten laste gelegd onder feit 3.
4.2.2.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Juridisch kader feit 1
Aan de verdachte is mensenhandel ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Specifiek wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de strafbare gedragingen zoals omschreven in artikel 273f lid 1, aanhef en sub 2° Sr.
Artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 2° Sr
Artikel 273f eerste lid, aanhef en sub 2° Sr stelt een handeling met het oogmerk van uitbuiting strafbaar. Anders dan artikel 273f Sr eerste lid, aanhef en sub 1°, stelt lid 1 sub 2° voor het aannemen van strafrechtelijke aansprakelijkheid niet de eis dat sprake moet zijn geweest van het hanteren van (een van de onder 1° genoemde) dwangmiddelen.
Dit onderdeel van de strafbaarstelling van mensenhandel strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd en opzet of schuld daaromtrent is voor het bewijs dan ook niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee diens instemming geen betekenis toekomt.
De handelingen omschreven in lid 1, aanhef en sub 2° zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van een persoon of personen. De vraag of en zo ja, wanneer sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte is behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. In geval van een minderjarig slachtoffer geldt naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten uitbuiten.
Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Beoordeling feit 1
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door de twee minderjarigen onder de onder 4.1. genoemde omstandigheden naar een haventerrein te vervoeren.
Handeling: vervoeren
Door de verdachte is erkend dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft vervoerd naar het haventerrein. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling ‘vervoeren’ op als bedoeld in artikel 273f eerste lid, aanhef en sub 2° Sr.
Oogmerk van uitbuiting
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte bij het vervoeren van de minderjarigen handelde met het oogmerk van uitbuiting. In dit kader zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang met betrekking tot de aard en duur van de te verrichten criminele activiteit.
Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte twee minderjarigen midden in de nacht moest vervoeren naar het haventerrein voor het uithalen van tassen. Het gaat hier om een eenmalige inzet van de betreffende minderjarigen, althans uit het dossier blijkt niet anders. De duur van de te verrichten activiteit is daarmee beperkt wanneer die wordt vergeleken met andere zaken van criminele uitbuiting waarbij een slachtoffer wordt ingezet voor een reeks van criminele activiteiten (veelal winkeldiefstallen). Echter hoeft volgens de Hoge Raad het slechts eenmaal laten plegen van een strafbaar feit niet aan het aannemen van ‘oogmerk tot uitbuiting’ in de weg te staan (HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672).
In de onderhavige zaak wordt de beperkte duur van de strafbare activiteit - die dus op zichzelf al niet aan het aannemen van een oogmerk tot uitbuiting in de weg staat - ruimschoots gecompenseerd door de aard van de gedraging. De rechtbank weegt daarin mee dat het gaat om het doen verrichten van een criminele activiteit, waarbij de verdachte wist dat de pakkans en risico’s groot waren. Er werd namelijk al voorafgaand en tijdens de klus besproken dat het een zogenoemde “kamikaze”-actie was. De minderjarigen bevonden zich op een gevaarlijk en voor hen onbekend terrein, en waren afhankelijk van de verdachte voor vervoer terug naar huis.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren in het bijzonder kwetsbaar vanwege hun jonge leeftijd, waarvan de verdachte gezien de verzonden berichten op de hoogte was (
“Dit zijn geen soldaten bro, dit zijn kids”).
Ten aanzien van het economisch voordeel van de verdachte zelf kan worden vastgesteld dat de verdachte betaald zou worden voor zijn aandeel. Uit de chatberichten blijkt dat hem vooraf 5.000 euro in het vooruitzicht werd gesteld. Later zou hij bij het slagen van de klus 10.000 euro krijgen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het op deze wijze (financieel) voordeel behalen uit de door minderjarigen verrichte criminele activiteiten, leidt tot uitbuiting als bedoeld in artikel 273f Sr. Het oogmerk van de verdachte is daar dan ook op gericht geweest.
Medeplegen
Uit het dossier is gebleken dat de verdachte via Snapchat is benaderd voor deze klus en tijdens de klus steeds contact onderhield met verschillende personen. De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen (in ieder geval) de verdachte en de gebruikers [gebruiker 2], [gebruiker 1] en [gebruiker 3]. Het verweer dat het vervoeren van de minderjarigen een handeling van ondergeschikt belang is die eerder past bij medeplichtigheid dan bij medeplegen, doet geen opgeld, aangezien het vervoer juist uitdrukkelijk een van de handelingen betreft die in art. 273f lid 1, aanhef en sub 2° Sr strafbaar zijn gesteld.
Feit 2
Uit het dossier is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het haventerrein zijn geweest terwijl zij daartoe niet bevoegd waren. De verdachte is niet op het terrein geweest. Hij heeft hen wel vervoerd en bij het haventerrein afgezet. De verdachte heeft daarmee een bijdrage aan het strafbare feit geleverd. Anders dan bij het onder 1 ten laste gelegde, betreft het vervoer hier niet de kern van de strafbare gedraging, maar een faciliterende bijdrage. Die is van onvoldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken, zodat de verdachte van het primair onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.
Wel is hij door zijn bijdrage als vastgesteld medeplichtig geweest aan het wederrechtelijk verblijf op het haventerrein door de medeverdachten. De rechtbank acht daarom het subsidiair onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De verdachte heeft gereden terwijl hij geen geldig rijbewijs heeft en dat heeft hij ter zitting bekend. Daarmee is feit 3 wettig en overtuigend bewezen.
4.2.3.
Conclusie
Bewezen is het onder feit 1, onder 2 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in
of omstreeksde periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025
te Rotterdam,althansin Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,een of meeranderen, te weten
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2009 en
/of- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2012
heeft
geworven,vervoerd
, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomenmet het
oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2], terwijl die
[minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet
heeft/hebben bereikt
(lid 1, sub 2), door
- via
Snapchat, althanseen chatdienst, contact te onderhouden met die [minderjarige 1]
en/of [minderjarige 2]en
/of
- die [minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2] met
zijn, verdachtes, auto, althanseen
auto
(witte Toyota met kenteken:[kenteken]
) opgehaaldop te halenen
/ofvervolgens naar de
haven van het haventerrein van ADM Europoort en/of het EECV terrein en/of de
ADM terminal, gelegen aan [adres 2]
gebrachtte brengenen
/ofaldaar
afgezetaf te zettenen
/of
ter plaatse op de Elbeweg, grenzend aan het haventerrein, via lichtsignalen aan die
[minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2] kenbaar
maaktete makenwaar hij zich met zijn auto bevond;
2 (
subsidiair)
[minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2]
in
of omstreeksde periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,wederrechtelijk
heeft/hebben verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor
distributie, opslag en
/of
overslag van goederen, te weten het terrein van ADM Europoort en
/ofhet EECV
terrein en
/ofde ADM terminal, gelegen aan [adres 2]
bij
en/of tothet plegen van welk misdrijf verdachte in
of omstreeksde periode 9
augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
opzettelijk behulpzaam is geweest
en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/ofinlichtingen heeft verschaft,door
een of meer vande voornoemde personen
en/ofde goederen die zij bij zich haddennaar en
/ofvan het terrein van ADM Europoort
en/of het EECV terrein en/of de ADM terminal, gelegen aan de [adres 2]
[adres 2] te vervoeren met de auto voorzien van kenteken [kenteken];
3
hij in
of omstreeksde periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
althans in Nederland,
als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met het kenteken [kenteken])
heeft gereden op de weg, de Elbeweg te Rotterdam, zonder dat aan hem door de
daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van
motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1: mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
Feit 2 (subsidiair): opzettelijk behulpzaam zijn bij het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 3: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de criminele uitbuiting van twee minderjarigen, waarvan één slechts dertien jaar oud was. De verdachte heeft hen uitgebuit door hen midden in de nacht naar het haventerrein te vervoeren. De minderjarigen moesten daar ‘tassen uithalen’. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het wederrechtelijk verblijf op een haventerrein. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden zonder rijbewijs.
Uit recente onderzoeken is gebleken dat er in toenemende mate zicht bestaat op de wijze waarop in criminele milieus minderjarigen worden geronseld en ingezet om strafbare activiteiten te ontplooien. Om zelf buiten beeld te blijven van de politie, zetten criminelen stelselmatig vaak kwetsbare jongeren in, die de meest risicovolle opdrachten voor hen uitvoeren. De minderjarigen kunnen de gevolgen van hun handelen vaak moeilijk overzien en door hen voor te houden dat ze snel en makkelijk geld kunnen verdienen en in te spelen op hun kwetsbaarheid en afhankelijkheid, kunnen zij gemakkelijk worden verleid tot het plegen van strafbare feiten. Dit ‘verdienmodel’ heeft zowel voor de betrokken slachtoffers als voor de samenleving een ondermijnend effect. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij willens en wetens aan deze vorm van uitbuiting van (zeer) jonge personen heeft bijgedragen en daarbij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen gewin.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Stichting Verslavingsreclassering GGZ heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 oktober 2025. Dit rapport houdt - kort samengevat - het volgende in.
“Motief voor onderhavig delict was financieel van aard aangezien hij aanzienlijke schulden heeft.
In het gesprek spreekt betrokkene over het maken van verkeerde keuzes wanneer het aankomt op contacten met politie en justitie. Hij spreekt over 'snel geld maken' om zijn financiële problemen op te kunnen lossen. Betrokkene lijkt dan niet in staat om de juiste afweging te maken terwijl de gevolgen voor hem aanzienlijk zijn. Hij is door zijn preventieve hechtenis zijn woning kwijt geraakt en heeft hij een schuld waarvan de hoogte niet bekend is.
Op de overige leefgebieden lijkt het ogenschijnlijk wel redelijk te lopen. Betrokkene zegt voldoende zelfredzaam te zijn en behoudens zijn financiën zegt hij zich geen zorgen te maken. Een hulpvraag zegt hij niet te hebben. Betrokkene wil zich in de toekomst voornamelijk richten op zijn werk en gezin. De reclassering schat het risico op recidive in als laag - gemiddeld.
Concluderend ziet de reclassering een verband tussen delinquent gedrag en zijn financiële problematiek waarbij betrokkene niet of onvoldoende in staat is tot het maken van de juiste keuzes. Gelet hierop achten wij, onder andere, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden van belang.
Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
- meldplicht
- gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
- locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
- meewerken aan schuldhulpverlening”
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten 1 en 2 kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de
rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Voor feit 3, de overtreding, zal afzonderlijk een geldboete worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 48, 49, 57, 138aa, 273f, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 (subsidiair) en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 subsidiair tot een
gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden,
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland (Marconistraat 2 te Rotterdam). De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie COVA of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
3. de veroordeelde zal zich niet op de Maasvlakte bevinden, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
4. de veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 3 tot een
geldboete van € 360,00 (driehonderdzestig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door
7 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Blom-den Haan, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer anderen, te weten
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2009 en/of
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2012
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het
oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2], terwijl die
[minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet
heeft/hebben bereikt (lid 1, sub 2), door
-
via Snapchat, althans een chatdienst, contact te onderhouden met die [minderjarige 1]
en/of [minderjarige 2] en/of
-
die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] met zijn, verdachtes, auto, althans een
auto (witte Toytota met kenteken: [kenteken]) opgehaald en/of vervolgens naar de
haven van het haventerrein van ADM Europoort en/of het EECV terrein en/of de
ADM terminal, gelegen aan [adres 2] gebracht en/of aldaar
afgezet en/of
ter plaatse op de Elbeweg, grenzend aan het haventerrein, via lichtsignalen aan die
[minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] kenbaar maakte waar hij zich met zijn auto
bevond;
2
hij in of omstreeks de periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen
wederrechtelijk
heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement
gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te
weten het terrein van ADM Europoort en/of het EECV terrein en/of de ADM
terminal, gelegen aan [adres 2];
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[minderjarige 1] en/of [minderjarige 2]
in of omstreeks de periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
wederrechtelijk
heeft/hebben verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor
distributie, opslag en/of
overslag van goederen, te weten het terrein van ADM Europoort en/of het EECV
terrein en/of de ADM terminal, gelegen aan [adres 2]
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode 9
augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft, door een of meer van de voornoemde personen en/of
de goederen die zij bij zich hadden naar en/of van het terrein van ADM Europoort
en/of het EECV terrein en/of de ADM terminal, gelegen aan de [adres 2]
[adres 2] te vervoeren met de auto voorzien van kenteken [kenteken];
3
hij in of omstreeks de periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
althans in Nederland,
als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met het kenteken [kenteken])
heeft gereden op de weg, de Elbeweg te Rotterdam, zonder dat aan hem door de
daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van
motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.