Verzoeker, een Oekraïense ontheemde, werd in 2022 opgevangen in Nederland. Eind 2024 werd hij veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf wegens een economisch delict. Het college beëindigde daarom de opvang en schreef verzoeker uit de basisregistratie personen uit. Na zijn vrijlating op 1 oktober 2025 meldde verzoeker zich opnieuw bij de opvanglocatie, maar werd geweigerd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat deze melding moet worden gezien als een nieuwe aanvraag om opvang, conform de Algemene wet bestuursrecht en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Omdat verzoeker niet langer gedetineerd is, geldt de uitsluitingsgrond niet meer en heeft hij recht op opvang.
De rechter draagt het college op om de aanvraag alsnog inhoudelijk te behandelen en binnen twee weken na melding een besluit te nemen. Verzoeker moet het registratieproces opnieuw doorlopen. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan verzoeker vergoed.
Deze voorlopige voorziening is bedoeld om de opvang van verzoeker te waarborgen zolang het bodemgeding niet is afgerond. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.