5.1.Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) volgt het volgende toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om een nieuwe aanspraak voor studiefinanciering. Uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven, én van een arts zal moeten blijken dat is voldaan aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 voorgeschreven verklaringen van de onderwijsinstelling en een arts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Pas als daarvan sprake is heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende.
Beroep op het rechtszekerheidsbeginsel
6. Eiseres stelt dat zij er in de vorige procedure niet is gewezen op de mogelijkheid om een nieuwe aanspraak op een prestatiebeurs te doen. Zij meent dat dat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
7. Zoals uit 3.1 en 3.2 blijkt heeft eiseres eerder in bezwaar geprocedeerd over de verlenging van de prestatiebeurs. Anders dan eiseres kennelijk meent, lag het niet op het weg van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) om eiseres in die procedure te informeren over andere mogelijkheden om haar studieschuld verder te verlagen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake.
Verklaring van de onderwijsinstelling
8. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar verzoek een verklaring van de decaan van de onderwijsinstelling waar zij stond ingeschreven, de Hogeschool Inholland, van 18 juli 2024 overgelegd. In deze verklaring wordt het verzoek van eiseres niet ondersteund. Volgens de onderwijsinstelling is bij eiseres, hoewel ze door een zware periode is gegaan, er geen sprake van een zich manifesterende of verergerde functiebeperking. Er is niet gebleken dat eiseres niet in staat was de opleiding Bedrijfseconomie af te ronden door een functiebeperking en wel in staat was om met die functiebeperking de opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening af te ronden.
9. Eiseres meent dat de minister deze verklaring niet aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft mogen leggen, omdat de decaan haar heeft tegengewerkt. Het dossier dat aan de verklaring ten grondslag ligt is niet compleet en de decaan heeft meerdere keren geweigerd hulp aan eiseres te verlenen. De decaan heeft aanvankelijk ook geen medewerking willen verlenen aan een verklaring over de studievertraging en de verlenging van de diplomatermijn. De rechtbank is niet gebleken dat de verklaring, zoals de minister heeft vastgesteld, niet zorgvuldig tot stand is gekomen, niet inzichtelijk en niet concludent is. De decaan heeft zich gebaseerd op de beschikbare informatie over eiseres. Op basis daarvan is de decaan tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een zich manifesterende of verergerde functiebeperking tijdens de studie Bedrijfseconomie en zij wel in staat zou zijn een passender studie te volgen. Voor zover eiseres stelt dat de decaan haar ook in deze procedure heeft tegengewerkt, kan de rechtbank dat niet uit de verklaring en het dossier afleiden. Het was dan ook aan eiseres om als zij niet tevreden was over de decaan dat bij de hogeschool aan de orde te stellen.
Nu er geen ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling ligt is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule
10. Eiseres vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar bijzondere
omstandigheden. Ten tijde van de opleiding Bedrijfseconomie en Sociaal Juridische Dienstverlening heeft zij te maken gehad met een uithuiszetting, een overleden kind, een kind dat prematuur en slechthorend geboren is en de mentale belasting dat dat met zich mee heeft meegebracht. Zij doet dan ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule.
11. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bedoeling van de mogelijkheid om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering te verkrijgen is dat het slechts bij hoge uitzondering zal voorkomen dat studenten door bijzondere (medische) omstandigheden een opleiding moeten beëindigen. Voor die gevallen biedt artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 van de wet een uitweg. Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is daarnaast niet snel plaats voor toepassing van de hardheidsclausule. De door eiseres gestelde omstandigheden, hoe triest ook voor eiseres, kunnen niet leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000. De minister heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank ook evenmin aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden.