ECLI:NL:RBROT:2025:13785

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _223
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:16 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek nieuwe aanspraak studiefinanciering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiseres heeft meerdere opleidingen gevolgd met studiefinanciering, waarvan de laatste in 2014 werd beëindigd. In 2024 verzocht zij om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering voor een passender opleiding op grond van artikel 5:16, vierde lid, Wsf 2000, vanwege bijzondere omstandigheden die het beëindigen van haar opleiding Bedrijfseconomie zouden rechtvaardigen.

De minister wees dit verzoek af omdat de onderwijsinstelling, vertegenwoordigd door de decaan, geen sprake zag van een manifesterende of verergerde functiebeperking die het niet kunnen afronden van de opleiding zou verklaren. Ook de hardheidsclausule werd niet toegepast. Eiseres betwistte het gebruik van de verklaring van de decaan en voerde een beroep op het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de verklaring van de onderwijsinstelling als grondslag gebruikte, omdat deze zorgvuldig en inzichtelijk tot stand was gekomen. De door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden, hoe ernstig ook, rechtvaardigen geen toepassing van de hardheidsclausule. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering op grond van artikel 5.16, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 5 augustus 2024 heeft de minister het verzoek van eiseres om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 27 november 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft voor verschillende opleidingen studiefinanciering ontvangen. In 2005 is zij begonnen aan een opleiding Management, economie en recht. In 2006 is zij gestart met een opleiding tot Leraar basisonderwijs. In 2008 is eiseres een opleiding Bedrijfseconomie begonnen en in 2009 een opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening. In 2014 is de studiefinanciering beëindigd.
3.1.
In 2016 heeft eiseres een diploma behaald. Dat was buiten de diplomatermijn van 10 jaar. Uiteindelijk is bij besluiten van 4 juli 2024 de diplomatermijn verlengd en de prestatiebeurs omgezet in een gift.
3.2.
Eiseres heeft op 15 juli 2024 verzocht om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering omdat er bijzondere omstandigheden zijn geweest die hebben geleid tot het beëindigen van de opleiding Bedrijfseconomie. De minister heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 5:16, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000): een nieuwe aanspraak op studiefinanciering voor een passender opleiding. Dit verzoek is bij het primaire besluit afgewezen.
3.3.
Bij het bestreden besluit is de minister bij zijn besluit gebleven. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat het verzoek om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering niet wordt ondersteund door de onderwijsinstelling. De decaan van de onderwijsinstelling heeft medegedeeld dat er geen sprake is geweest van een manifesterende of verergerde functiebeperking. Ook is niet gebleken dat eiseres niet is staat was om de opleiding Bedrijfseconomie af te ronden door een functiebeperking en waarmee de opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening wel mogelijk was. Ook heeft de minister geen aanleiding gezien om op grond van de hardheidsclausule van de wet af te wijken.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres meent dat er wel degelijk sprake is bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om haar verzoek toe te wijzen. Zij wijst daarbij op alles wat zij tijdens haar studie heeft meegemaakt. De verklaring van de decaan van Hogeschool Inholland had de minister niet mogen gebruiken. Eiseres doet verder een beroep op de hardheidsclausule en op het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
Het oordeel van de rechtbank
Het beoordelingskader
5. Artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat als een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, als gevolg van een zich tijdens de studie verergerende handicap of als gevolg van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een begonnen opleiding te beëindigen, de student bij keuze voor een passender opleiding een nieuwe aanspraak op studiefinanciering ontvangt.
Op grond van artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 moeten deze omstandigheden worden aangetoond door een gedagtekende verklaring van een arts of een onderwijsinstelling.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) volgt het volgende toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om een nieuwe aanspraak voor studiefinanciering. Uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven, én van een arts zal moeten blijken dat is voldaan aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 voorgeschreven verklaringen van de onderwijsinstelling en een arts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Pas als daarvan sprake is heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende. [1]
Beroep op het rechtszekerheidsbeginsel
6. Eiseres stelt dat zij er in de vorige procedure niet is gewezen op de mogelijkheid om een nieuwe aanspraak op een prestatiebeurs te doen. Zij meent dat dat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
7. Zoals uit 3.1 en 3.2 blijkt heeft eiseres eerder in bezwaar geprocedeerd over de verlenging van de prestatiebeurs. Anders dan eiseres kennelijk meent, lag het niet op het weg van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) om eiseres in die procedure te informeren over andere mogelijkheden om haar studieschuld verder te verlagen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake.
Verklaring van de onderwijsinstelling
8. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar verzoek een verklaring van de decaan van de onderwijsinstelling waar zij stond ingeschreven, de Hogeschool Inholland, van 18 juli 2024 overgelegd. In deze verklaring wordt het verzoek van eiseres niet ondersteund. Volgens de onderwijsinstelling is bij eiseres, hoewel ze door een zware periode is gegaan, er geen sprake van een zich manifesterende of verergerde functiebeperking. Er is niet gebleken dat eiseres niet in staat was de opleiding Bedrijfseconomie af te ronden door een functiebeperking en wel in staat was om met die functiebeperking de opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening af te ronden.
9. Eiseres meent dat de minister deze verklaring niet aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft mogen leggen, omdat de decaan haar heeft tegengewerkt. Het dossier dat aan de verklaring ten grondslag ligt is niet compleet en de decaan heeft meerdere keren geweigerd hulp aan eiseres te verlenen. De decaan heeft aanvankelijk ook geen medewerking willen verlenen aan een verklaring over de studievertraging en de verlenging van de diplomatermijn. De rechtbank is niet gebleken dat de verklaring, zoals de minister heeft vastgesteld, niet zorgvuldig tot stand is gekomen, niet inzichtelijk en niet concludent is. De decaan heeft zich gebaseerd op de beschikbare informatie over eiseres. Op basis daarvan is de decaan tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een zich manifesterende of verergerde functiebeperking tijdens de studie Bedrijfseconomie en zij wel in staat zou zijn een passender studie te volgen. Voor zover eiseres stelt dat de decaan haar ook in deze procedure heeft tegengewerkt, kan de rechtbank dat niet uit de verklaring en het dossier afleiden. Het was dan ook aan eiseres om als zij niet tevreden was over de decaan dat bij de hogeschool aan de orde te stellen.
Nu er geen ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling ligt is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule
10. Eiseres vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar bijzondere
omstandigheden. Ten tijde van de opleiding Bedrijfseconomie en Sociaal Juridische Dienstverlening heeft zij te maken gehad met een uithuiszetting, een overleden kind, een kind dat prematuur en slechthorend geboren is en de mentale belasting dat dat met zich mee heeft meegebracht. Zij doet dan ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule.
11. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bedoeling van de mogelijkheid om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering te verkrijgen is dat het slechts bij hoge uitzondering zal voorkomen dat studenten door bijzondere (medische) omstandigheden een opleiding moeten beëindigen. Voor die gevallen biedt artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 van de wet een uitweg. Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is daarnaast niet snel plaats voor toepassing van de hardheidsclausule. De door eiseres gestelde omstandigheden, hoe triest ook voor eiseres, kunnen niet leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000. De minister heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank ook evenmin aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2017:3781, en 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:224