ECLI:NL:RBROT:2025:13791

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
ROT 24/4480
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 2.7 WhtArt. 9.1 WhtEVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen wegens geen recht op kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2016 en 2017, nadat de Dienst Toeslagen haar kinderopvangtoeslag had teruggevorderd omdat zij geen gebruik had gemaakt van geregistreerde kinderopvang in die jaren.

De Dienst Toeslagen heeft haar aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam. Eiseres stelde dat zij recht had op compensatie vanwege de verrekening van teruggevorderde kinderopvangtoeslag met andere toeslagen, waarbij onvoldoende rekening zou zijn gehouden met haar belangen en de beslagvrije voet.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag en dat de terugvordering terecht was. De verrekening met andere toeslagen en de toepassing van de beslagvrije voet rechtvaardigen geen compensatie onder de Wht. Ook is de hardheidsclausule terecht niet toegepast, omdat eiseres geen bijzondere of schrijnende omstandigheden had aangetoond. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en haar aanvraag voor compensatie afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. De aanvraag van eiseres om compensatie te ontvangen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is afgewezen. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geen rekening gehouden met schade als gevolg van verrekeningen van haar teruggevorderde kinderopvangtoeslag met andere toeslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet leiden tot compensatie voor het betreffende toeslagjaar op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen mocht in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met een besluit van 10 maart 2022 ( [nummer 1] ) heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een forfaitair bedrag van € 30.000,- op grond van artikel 2.7 van de Wht.
2.1.
Met besluiten van 1 november 2022 ( [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] ) heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, voor de jaren 2016 en 2017, afgewezen.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 maart 2022 en 1 november 2022.
2.3.
Met een besluit van 19 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 10 maart 2022 en 1 november 2022 ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft voor de zitting schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2012 en [geboortedatum 2] 2015. Ze heeft op 17 maart 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht voor de toeslagjaren 2016 en 2017.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 10 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen na een eerste beoordeling (de lichte toets) vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van artikel 2.7 van de Wht.
4.1.
Bij de integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen gekeken of er bij de aangevraagde toeslagjaren van eiseres fouten zijn gemaakt en of zij hierdoor recht heeft op compensatie. De Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat er in deze jaren geen gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Daardoor bestond er voor eiseres geen recht op kinderopvangtoeslag. Daarom heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat er geen fouten zijn gemaakt in de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag en er dus ook geen recht is op compensatie. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
4.2.
In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het feit dat zij door Dienst Toeslagen niet is aangemerkt als gedupeerde in het kader van de Wht. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4.3.
De beroepsgrond dat Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend om het bestreden besluit te kunnen beoordelen, is door eiseres ter zitting ingetrokken.
Heeft eiseres recht op compensatie als gevolg van verrekeningen?
5. Tussen partijen staat vast dat eiseres in de jaren 2016 en 2017 geen recht had op kinderopvangtoeslag, omdat zij in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De door eiseres ontvangen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Eiseres stelt dat zij recht heeft op compensatie omdat de Dienst Toeslagen een deel van de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag heeft verrekend met andere toeslagen en daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres. De Dienst Toeslagen heeft bij het verrekenen ten onrechte geen rekening gehouden met de beslagvrije voet, waardoor zij in die periode onder het bestaansminimum heeft geleefd. Dat levert volgens eiseres op zichzelf hardheid op in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht, zodat zij op die grond als gedupeerde moet worden erkend. Eiseres verwijst daarbij ook naar verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
5.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Van hardheid van het stelsel is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen, bijvoorbeeld doordat een derde op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag heeft aangevraagd [1] . Van een dergelijke situatie is in het geval van eiseres geen sprake. Zij had geen recht op de ontvangen kinderopvangtoeslag. Deze is dus terecht van haar teruggevorderd. De omstandigheid dat de terugvordering deels met andere toeslagen is verrekend, kan niet leiden tot de conclusie dat eiseres alsnog als gedupeerde in de zin van de Wht moet worden aangemerkt [2] . Niet is gebleken dat er in het geval van eiseres bij het verrekenen is gehandeld in strijd met de destijds geldende regels. Op verzoek van eiseres is haar beslagvrije voet vastgesteld en ook is er in 2019 een persoonlijke betalingsregeling toegekend. De door eiseres ingeroepen verdragsbepalingen maken dit niet anders. De beroepsgrond slaagt dus niet.
5.2.
Dit alles neemt niet weg dat de verrekeningen de situatie van eiseres zonder meer lastig hebben gemaakt. De hersteloperatie is echter niet bedoeld om de gevolgen van deze verrekeningen -die te maken hebben met terechte terugvorderingen- te corrigeren.
Had de Dienst Toeslagen toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?
6. Eiseres stelt dat de Dienst toeslagen compensatie had toe moeten kennen op basis van de hardheidsclausule. Door het strenge beleid dat de Belastingdienst heeft gehanteerd bij de verrekening en terugvordering van de kinderopvangtoeslag is eiseres gedupeerd.
6.1.
De hardheidsclausule in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht stelt dat de Dienst Toeslagen kan afwijken van de artikelen 2.1, 2.6 en 2.7 als toepassing van het artikel gelet op het doel of de strekking ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De wetgever heeft hiermee ruimte gecreëerd om bijzondere omstandigheden in individuele gevallen te ondervangen. [3] De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Degene die een beroep doet op deze clausule moet duidelijk maken wat de bijzonderheid of schrijnendheid van zijn of haar situatie is en dit concreet onderbouwen. [4]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst Toeslagen in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt hier sprake is van een bijzondere situatie. Het verrekenen van toeslagschulden kan naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen bijzondere omstandigheid zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie ook: rechtbank Rotterdam, 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081.
4.ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, r.o. 7.3.