Verzoekster heeft op 23 september 2025 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet voor een voorlopige voorziening om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 3 september 2025. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op 1 oktober 2025 zou plaatsvinden.
Verzoekster woont met haar twee minderjarige kinderen in de woning en heeft een huurachterstand veroorzaakt door een echtscheiding. De huurtermijnen van oktober en november 2025 zijn inmiddels betaald, respectievelijk door het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam en door verzoekster zelf. Verzoekster ontvangt een inkomen van € 2.812,27 per maand en zal budgetbeheer opstarten om de huurbetalingen voortaan tijdig te kunnen voldoen.
Verweerder, de verhuurder, is niet verschenen noch heeft hij verweer gevoerd. De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die met haar kinderen in de woning wil blijven en schuldhulpverlening wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerder om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De huurovereenkomst wordt voor de duur van het moratorium verlengd en schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen.