De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met een verstandelijke beperking. De minderjarige verblijft sinds kort op een crisisgroep waar het goed met hem gaat. De moeder stemt in met de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar verzet zich tegen de inhoud van het verzoek vanwege fouten en onjuistheden.
De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De opvoeding vraagt meer van de moeder dan zij kan bieden, mede door fysiek conflict en veiligheidszorgen.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 30 december 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissing is genomen na een zitting met gesloten deuren waarbij de moeder, haar advocaat, een vertegenwoordiger van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren.