Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer R.F.J.P. Aeppli, beschermingsbewindvoerder;
- de heer [persoon A] , verhuurder (hierna: verweerder);
- de heer mr. J.J. Jaspers, advocaat van verweerder.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft verzoeker op 31 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 287b van de Faillissementswet, waarin hij vroeg om een voorlopige voorziening bij voorraad. Dit verzoek was gericht op het voorkomen van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2025, dat verzoeker verplichtte zijn woning te ontruimen. De rechtbank heeft op 19 november 2025 de behandeling van het verzoekschrift gehouden, waarbij zowel verzoeker als verweerder aanwezig waren. Verweerder, de verhuurder, had voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker onder bewind is gesteld en dat hij zich heeft aangemeld voor schuldhulpverlening. Verzoeker ontving een uitkering en had voldoende inkomen om de huur te betalen. Verweerder stelde echter dat verzoeker de huurovereenkomst niet was nagekomen, omdat deze per 30 juni 2025 was beëindigd. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake was van een bedreigende situatie, zoals vereist door artikel 287b, tweede lid, Fw. De rechtbank concludeerde dat er inderdaad sprake was van een bedreigende situatie, aangezien er een ontruimingsvonnis was dat op 20 november 2025 ten uitvoer zou worden gelegd.
De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat het verzoek om een moratorium niet kon worden toegewezen, omdat het ontruimingsvonnis niet was gebaseerd op een tekortkoming in een financiële verplichting uit de huurovereenkomst. De beëindiging van de huurovereenkomst was overeengekomen en de ontruiming was gerechtvaardigd. Daarom heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft aangegeven dat verzoeker in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen indien nodig.