ECLI:NL:RBROT:2025:13877

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
30 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1994 en FT RK 25/1995
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft verzoeker op 31 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 287b van de Faillissementswet, waarin hij vroeg om een voorlopige voorziening bij voorraad. Dit verzoek was gericht op het voorkomen van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2025, dat verzoeker verplichtte zijn woning te ontruimen. De rechtbank heeft op 19 november 2025 de behandeling van het verzoekschrift gehouden, waarbij zowel verzoeker als verweerder aanwezig waren. Verweerder, de verhuurder, had voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker onder bewind is gesteld en dat hij zich heeft aangemeld voor schuldhulpverlening. Verzoeker ontving een uitkering en had voldoende inkomen om de huur te betalen. Verweerder stelde echter dat verzoeker de huurovereenkomst niet was nagekomen, omdat deze per 30 juni 2025 was beëindigd. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake was van een bedreigende situatie, zoals vereist door artikel 287b, tweede lid, Fw. De rechtbank concludeerde dat er inderdaad sprake was van een bedreigende situatie, aangezien er een ontruimingsvonnis was dat op 20 november 2025 ten uitvoer zou worden gelegd.

De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat het verzoek om een moratorium niet kon worden toegewezen, omdat het ontruimingsvonnis niet was gebaseerd op een tekortkoming in een financiële verplichting uit de huurovereenkomst. De beëindiging van de huurovereenkomst was overeengekomen en de ontruiming was gerechtvaardigd. Daarom heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft aangegeven dat verzoeker in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen indien nodig.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 26 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 31 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 3 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 november 2025.
Ter zitting van 19 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer R.F.J.P. Aeppli, beschermingsbewindvoerder;
  • de heer [persoon A] , verhuurder (hierna: verweerder);
  • de heer mr. J.J. Jaspers, advocaat van verweerder.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek en heeft zich bij Sociale Dienst Drechtsteden aangemeld voor schuldhulpverlening. Gedurende het schuldbemiddelingstraject is duidelijk geworden dat – met het oog op een succesvolle schuldbemiddeling – verzoeker noodzakelijkerwijs aangewezen is op beschermingsbewind. Op 15 augustus 2025 is verzoeker onder bewind gesteld. Sinds kort ontvangt verzoeker een PW-uitkering van € 1.300,61 per maand. Huurtoeslag is, in afwachting van de uitkomst van deze procedure, nog niet aangevraagd. Het inkomen van verzoeker wordt beheerd en de vaste lasten worden betaald. Het inkomen is voldoende om de lopende huur van € 740,00 per maand te betalen.

3.Het verweer

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Partijen zijn op 24 november 2024 overeengekomen dat de huurovereenkomst per 30 juni 2025 zou eindigen wegens de noodzaak van verweerder om de woning weer zelf te kunnen betrekken. Verzoeker zou de woning per die datum geheel ontruimd aan verweerder opleveren. Verzoeker komt die afspraak niet na en weigert de woning te verlaten.

4.De beoordeling

Artikel 287b Fw geeft de schuldenaar de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen indien sprake is van een bedreigende situatie. De voorziening is er op gericht om een adempauze te creëren die verzoeker in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling voor zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden.
Allereerst dient dus te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 17 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 20 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b lid 4 Fw omschrijft de voorzieningen die kunnen worden getroffen. In dit geval is verzocht om een voorziening te treffen die strekt tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw. Dat artikel bepaalt (voor zover relevant), dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat is uitgesproken wegens een financiële tekortkoming uit de huurovereenkomst, wordt opgeschort voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling indien het een tekortkoming van vóór de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling betreft, en de lopende verplichtingen inmiddels worden voldaan. Het gaat bij dergelijke tekortkomingen immers ook om financiële schulden, waarvoor de wettelijke schuldsaneringsregeling bedoeld is. Ontruimingsvonnissen die een andere grondslag hebben, zoals overlast of (zoals in dit geval) een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen met het verstrijken van 30 juni 2025 is geeindigd, vallen niet onder het bereik van artikel 305 Fw en zijn wel tenuitvoer te leggen (ook in geval de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegepast). [1]
Uit de samenhang van die artikelen leidt de rechtbank af dat een moratorium alleen kan worden toegewezen indien het ontruimingsvonnis is gebaseerd op een tekortkoming in een financiële verplichting uit de huurovereenkomst. Het gaat dan om een bestaande achterstand in de betaling van de huurtermijnen, waarvoor het minnelijk traject (of een eventueel daarop volgende schuldsaneringsregelingtraject) geacht wordt een regeling te bieden (in de vorm van een - gedeeltelijke - betaling of kwijtschelding) terwijl de lopende verplichtingen worden voldaan.
Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het vonnis van 25 september 2025 volgt immers dat de beëindiging van de huurovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2025 de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Aangezien dat vonnis inmiddels ook in kracht van gewijsde is gegaan, staat vast dat verzoeker uit zijn woning moet, omdat partijen overeen zijn gekomen dat de huurovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2025 is beëindigd. Dat verzoeker daarnaast in dat vonnis ook veroordeeld is tot betaling van de huurachterstand maakt niet dat daarmee de grondslag van de ontruiming verandert.
Naar het oordeel van de rechtbank kan voor het ontruimingsvonnis van 25 september 2025 dan ook geen moratorium ex artikel 287b Fw worden verleend, omdat geen sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Voetnoten

1.Zie ook de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 942, nr. 3, p. 26