Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet, gericht op het opschorten van de ontruiming van haar huurwoning. De rechtbank beoordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat ontruiming aankondigde.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster de huurbetalingen over september, oktober en november 2025 heeft voldaan en dat haar inkomen toereikend is om de maandelijkse huurverplichting te blijven nakomen. Schuldhulpverlening is gestart en budgetbeheer wordt ingesteld om toekomstige huurbetalingen te waarborgen.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis ten uitvoer te leggen. Daarom werd het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat lopende termijnen tijdig en volledig worden voldaan.
Daarnaast werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Snel-van den Hout op 5 november 2025.
Uitkomst: Moratorium van zes maanden toegewezen en ontruiming opgeschort onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.