ECLI:NL:RBROT:2025:13885

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
30 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1903 en FT RK 25/1904
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en budgetbeheer ter voorkoming ontruiming woonruimte

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn woonruimte voorkomt. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat uitvoering daarvan aankondigt.

Verzoeker heeft voldoende inkomsten om de huur te betalen en heeft de huur van november 2025 voldaan. Schuldhulpverlening heeft aangegeven op korte termijn budgetbeheer in te stellen, waardoor de huurbetalingen voortaan tijdig en volledig worden voldaan. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig en volledig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek in de toekomst.

Uitkomst: Moratorium voor zes maanden toegewezen en budgetbeheer ingesteld om ontruiming te voorkomen, verzoeker niet-ontvankelijk in schuldsaneringsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 5 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 20 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het tussenvonnis van deze rechtbank van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 oktober 2025.
Ter zitting van 29 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, (hierna: verweerster).
Verweerster heeft de rechtbank op 31 oktober 2025 geïnformeerd over de huurbetaling van november 2025.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening is nog niet toegekend. Schuldhulpverlening heeft daarover ter zitting verklaard dat zij daar nog niet aan toegekomen zijn. Dat geldt ook voor het opstarten van budgetbeheer. Schuldhulpverlening heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat budgetbeheer op korte termijn zal worden ingesteld.
Verzoeker heeft inkomsten uit arbeid. Hij ontvangt ongeveer € 2.750,00 netto per maand. Daarmee heeft hij voldoende inkomsten om de maandelijkse huur van € 643,97 te voldoen. Bovendien heeft verzoeker de huur van november 2025 voldaan. Schuldhulpverlening heeft verder ter zitting verklaard dat de budgetbeheerder de huurbetalingen zal overnemen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig en volledig worden voldaan.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij geprobeerd heeft verzoeker te helpen. Met verzoeker zijn daarom diverse afspraken gemaakt en regelingen getroffen. Die afspraken c.q. regelingen zijn door verzoeker niet nagekomen. Verweerster vraagt zich daarom ook af of het verzoeker nu wel gaat lukken om zich aan de afspraken te houden.
Verweerster heeft verder bij e-mailbericht van 31 oktober 2025 bevestigd dat verzoeker de huur van november 2025 heeft voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 26 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft aangetoond dat hij voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen. Gebleken is verder dat de huur van november 2025 is voldaan. Met behulp van budgetbeheer wordt bovendien gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig en volledig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 18 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
20 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.