ECLI:NL:RBROT:2025:13887

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
30 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1976 en FT RK 25/1977
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming wegens schuldhulpverlening en beschermingsbewind

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn woning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 10 oktober 2025. Verzoeker verkeert in financiële problemen en heeft begeleiding nodig, waarvoor hij beschermingsbewind heeft aangevraagd. Zijn zus helpt hem tijdelijk met vaste lasten.

De rechtbank constateert dat er sprake is van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen, waarmee hij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Hij is aangemeld bij schuldhulpverlening, die hem gaat begeleiden bij een minnelijk traject.

Verweerster betwist dat verzoeker in staat is de huurverplichtingen na te komen en wijst op eerdere betalingsachterstanden en gebrek aan constructief contact. De rechtbank weegt echter het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster.

De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen, waaronder tijdige betaling van de lopende termijnen. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject nog loopt. De moratoriumperiode wordt vastgesteld op zes maanden vanaf 31 oktober 2025.

Uitkomst: Moratorium van zes maanden toegewezen en ontruiming opgeschort onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 20 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 30 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 november 2025.
Ter zitting van 13 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mr. B. El Ouath, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);
  • mr. drs. M.J.B. van Uden, advocaat van FT Vastgoed B.V. (hierna: verweerster);
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij FT Vastgoed B.V..
mr. drs. M.J.B. van Uden heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting op aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Mr. B. El Ouath heeft namens verzoeker na de zitting op 13 november 2025 een tweetal e-mails gezonden met daarbij een betaalbewijs van de oude huurtermijn over de maand november 2025, alsmede een betaalbewijs van het restant van de huurtermijn over de maand november 2025.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft begeleiding nodig. Hij is niet zelfstandig in staat zijn belangen te behartigen. Verzoeker heeft lange tijd hulp gekregen van zijn moeder bij zijn administratie en financiën. De moeder van verzoeker is na een ziekbed overleden, waardoor de hulp is weggevallen en verzoeker het overzicht is verloren. Op 6 november 2025 is er een aanvraag tot onderbewindstelling ingediend bij de rechtbank. Tot het moment dat het beschermingsbewind is uitgesproken, helpt de zus van verzoeker met de betaling van de vaste lasten. Verzoeker heeft inkomen uit een PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huurbetaling van 24 oktober 2025 ziet op de huur over de maand november 2025. Gebleken is dat er te weinig huur was overgemaakt, namelijk de oude huurtermijn van € 649,59. Het restantbedrag van € 31,73 is voldaan op 13 november 2025. Verzoeker heeft zich op 29 augustus 2025 gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. Op 30 oktober 2025 heeft verzoeker een schriftelijke bevestiging ontvangen dat Geldplein hem gaat helpen met het schuldhulpverleningstraject.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster acht het niet aannemelijk dat verzoeker in staat is de lopende huurverplichtingen te voldoen, dan wel de bestaande huurachterstand in te lopen. Verzoeker heeft slechts incidentele betalingen verricht en er is nauwelijks constructief contact geweest met verzoeker om tot en betalingsregeling of andere oplossing te komen. Verzoeker is in het verleden ook reeds diverse malen, onder meer door een deurwaarder, aangemaand wegens huurachterstanden. Gelet op het uitblijven van tijdige en volledige betalingen, het structurele karakter van de betalingsproblemen en het gebrek aan constructief contact, heeft verweerster er geen vertrouwen in dat verzoeker aan zijn lopende huurbetalingen zal kunnen voldoen. Ten slotte heeft verweerster geen bericht ontvangen dat verzoeker zich heeft aangemeld bij schuldhulpverlening, zodat er geen bewijs bestaat dat er zicht is op een reëel minnelijk traject.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 27 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomsten uit een PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur met betrekking tot de maand november 2025 is (deels) voldaan op
24 oktober 2025. Het (geringe) restantbedrag van de lopende huurtermijn van € 31,73 is op 13 november 2025 alsnog voldaan. Verzoeker heeft begeleiding nodig. Hij heeft hiertoe inmiddels beschermingsbewind aangevraagd. De verwachting is dat het beschermingsbewind op korte termijn zal worden uitgesproken. In de tussenliggende periode zal de zus van verzoeker hem bijstaan bij het bijhouden van zijn administratie en de betaling van zijn vaste lasten. Verzoeker heeft inmiddels een bevestiging ontvangen van Geldplein dat zij verzoeker gaan helpen met het schuldhulpverleningstraject. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 10 oktober 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
31 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.