Uitspraak
[naam 1]uit Schiedam ( [naam 1] ) en
[naam vereniging]uit Schiedam ( [naam vereniging] ).
De rechtbank is ook van oordeel dat het bestreden besluit op een aantal punten niet juist is. Het college had de last onder dwangsom voor de serre moeten herroepen. Daarnaast is het bestreden besluit niet zorgvuldig genomen, omdat het college inmiddels het standpunt inneemt dat alleen overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan de last onder dwangsom voor de dakterrassen ten grondslag kan worden gelegd. Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank overtreden. Het college heeft in strijd met zijn beleidsregels over handhaving gehandeld door het daarin opgenomen stappenplan niet te volgen en had dit gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten passeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet goed genoeg gemotiveerd waarom er in dit geval geen aanleiding bestaat om af te zien van handhavend optreden. Verder is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde last verder strekt dan nodig is om de overtreding te beëindigen.
De rechtbank geeft daarom de gelegenheid aan het college om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De nadere stukken van [naam 1] bestaan uit een brief van één pagina en voor het overige uit een stuk van 31 augustus 2023 met bijlagen dat al eerder bij de rechtbank is ingediend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de andere partijen door de late indiening van de nadere stukken zijn benadeeld of dat de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere manier is belemmerd. Gelet hierop is er geen reden om de nadere stukken van [naam 1] van 7 oktober 2025 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
De rechtbank zal het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar in de einduitspraak gegrond verklaren. De rechtbank zal zelf de verbeurde dwangsom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb in de einduitspraak vaststellen op het maximale bedrag van € 1.442,-.
- Serre
- Dakterrassen
De rechtbank beoordeelt hierna alleen nog of sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Daarin is bepaald dat het verboden is om een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.
Voor de dakterrassen is daarom een omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan vereist (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo). Dit laatste is het geval, omdat de dakterrassen in strijd zijn met de bouwregels in artikel 28.2, aanhef en onder l, van de planregels en het bouwen daarom tevens gebruik in strijd met het bestemmingsplan inhoudt.
Eiseres wijst ook op een verklaring van [naam 2] , die tussen 1941 en 1949 op het adres [adres 1] gewoond heeft. Volgens die verklaring waren toen al ommuurde dakterrassen aanwezig op de eerste en tweede verdieping van de woning.
Verder betoogt eiseres dat zij weliswaar geen omgevingsvergunning kan overleggen, maar dat het college ook geen moeite heeft gedaan om aan te tonen dat voor de dakterrassen nooit een vergunning is verleend. Het college had hier uitvoerig onderzoek naar moeten doen, mede gelet op het feit dat de dakterrassen al minstens 82 jaar aanwezig zijn. Het gebruikelijke uitgangspunt uit de rechtspraak dat eiseres aannemelijk moet maken dat de dakterrassen zijn vergund, is in dit specifieke geval niet redelijk.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het college ervan heeft kunnen uitgaan dat de dakterrassen zonder omgevingsvergunning voor bouwen zijn gerealiseerd en dat eiseres artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft overtreden door de dakterrassen in stand te laten. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.
Het college kan alleen van de beleidsregel afwijken in gevallen die in de beleidsregel zelf zijn voorzien of bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. Het college heeft geen beroep gedaan op de uitzonderingen die in paragraaf 4.3.2 van de IUH zijn opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat toepassing van de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het college heeft alleen in algemene zin (onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3273) betoogd dat het handhavingsbeleid onredelijk is, omdat het stappenplan in de IUH ertoe leidt dat – behalve bij bijzondere omstandigheden – nooit eerder dan na de derde controle handhavend kan worden opgetreden. Het college heeft niet uitgelegd waarom dat in dit specifieke geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het college zich niet beroepen op de onredelijkheid van zijn eigen handhavingsbeleid. Als het college het stappenplan in zijn algemeenheid onredelijk vindt, ligt het op zijn weg om de beleidsregels te wijzigen of (deels) in te trekken.
Het college heeft het primaire besluit daarom in strijd met artikel 4:84 van Pro de Awb genomen door van het stappenplan uit de IUH af te wijken. In het bestreden besluit heeft het college dit niet onderkend.
Eiseres bestrijdt dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering is die aan vergunningverlening in de weg staat. Volgens eiseres is er een erfdienstbaarheid gevestigd.
Verder stelt zij dat het dakterras niet zichtbaar is vanaf de openbare weg en dat er geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op de privacy van omwonenden. Er is volgens haar geen onevenredige hinder voor omwonenden door bijvoorbeeld geluid, inkijk en geur, ook gelet op de stedelijke omgeving waarin het pand zich bevindt. Het bestaan van het dakterras heeft nooit voor problemen of overlast gezorgd. Bovendien moet dit belang worden afgewogen tegen het belang van eiseres bij het hebben van dakterrassen bij haar woning.
Eiseres wijst er in dit verband ook op dat de planregels het gebruik als dakterras niet verbieden en dat het dakterras hooguit als bouwwerk vergunningplichtig is. Hinder door het gebruik kan daarom geen objectieve reden zijn om het dakterras niet te legaliseren.
Eiseres heeft geen omgevingsvergunning aangevraagd om de dakterrassen te legaliseren. Alleen al daarom bestond er op de datum van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie. Bovendien heeft het college aangegeven niet bereid te zijn om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. In het primaire besluit en het bestreden besluit is dit onderbouwd. Het enkele feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning te verlenen voor de afwijking van het bestemmingsplan volstaat in beginsel voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.
De bezwaarschriftencommissie stelt in haar advies dat het college niet heeft onderbouwd waarom ondanks een lage of geen prioriteit in dit geval tot handhaving is overgegaan, terwijl daar in andere vergelijkbare gevallen van wordt afgezien. Daarnaast heeft het college volgens de commissie niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht moet worden toegekend aan het belang van handhaving in relatie tot de belangen van overtreder. Het college erkent dat in het bestreden besluit had moeten worden onderbouwd waarom in dit geval, ondanks lage prioritering in de beleidsregel, tot handhaving is overgegaan. Het college stelt dat in het bestreden besluit een belangenafweging is gemaakt en inzichtelijk is gemaakt welk gewicht aan het belang van verzoekers is toegekend en op welke manier de belangen van eiseres zijn meegewogen.
Voor die afweging is – naast de lage prioriteit van de overtreding volgens het beleid – het volgende van belang. Naar het oordeel van de rechtbank is niet duidelijk geworden in welke mate het gebruik van de dakterrassen hinder veroorzaakt. Het college en derde-belanghebbenden hebben gesteld dat er onaanvaardbare hinder is, maar eiseres heeft erop gewezen dat het gaat om een stedelijke omgeving en dat de naastgelegen panden vergelijkbare dakterrassen hebben, waarbij een vlakbij gelegen dakterras in hetzelfde bouwblok recent vergund is. De belangen van omwonenden moeten bovendien worden afgewogen tegen het belang van eiseres. Het college had daarbij ook belang moeten toekennen aan het feit dat de dakterrassen al zeer lange tijd, sinds 1941, aanwezig zijn.
Gezien deze combinatie van factoren is de rechtbank van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die handhavend optreden onevenredig maken. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
In het primaire besluit is een last opgenomen die inhoudt dat eiseres de overtredingen binnen 12 weken dient te beëindigen en beëindigd te houden; zij kan dit, voor zover hier van belang, doen door het gebruik en de inrichting van de dakterrassen 1 en 2 te staken en gestaakt te houden. Voor zover de in de last beschreven herstelmaatregelen zien op het gebruik van de dakterrassen als zodanig, strekt de last verder dan nodig is om de overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo te beëindigen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.
Mogelijkheid voor het college tot herstel van de gebreken
a. een nieuw besluit op bezwaar nemen waarin het bezwaar alsnog gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen, voor zover het de last onder dwangsom voor de serre betreft;
b. een nieuw besluit op bezwaar nemen waarin het bezwaar alsnog gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen, voor zover aan de last onder dwangsom voor de dakterrassen overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en f, van de Wabo en artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet ten grondslag is gelegd;
c. ten aanzien van de dakterrassen alsnog toereikend motiveren waarom er, gelet op de in overweging 11 genoemde criteria, in dit geval geen aanleiding bestaat om van handhaving af te zien. In het bijzonder moet het college motiveren waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden die handhavend optreden onevenredig maken. Daarbij moet het college in ieder geval rekening houden met het prioriteringsbeleid in de beleidsregels, de hinderaspecten in het licht van de aanwezigheid van vergelijkbare dakterrassen op naastgelegen panden en het feit dat de dakterrassen al zeer lange tijd aanwezig zijn. Als het college tot de conclusie komt dat toch van handhavend optreden moet worden afgezien, moet het college een nieuw besluit nemen waarin het bezwaar gegrond wordt verklaard en het primaire besluit op dit punt wordt herroepen;
d. in het nieuwe besluit op bezwaar de in overweging 13.2 beschreven schending van artikel 4:84 van Pro de Awb alsnog met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren;
e. de in het primaire besluit opgenomen last voor de dakterrassen, indien deze in stand blijft, zodanig aan te passen dat de last niet verder strekt dan nodig is om de overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo te beëindigen.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
De rechtbank geeft het college in overweging om bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar, voor zover de last onder dwangsom in stand blijft, de lengte van de begunstigingstermijn opnieuw te beoordelen.
Algemene wet bestuursrechtArtikel 1:3(…)4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.Artikel 4:84Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 7:121. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.(…)Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
(…)
Artikel 2.3a1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.