ECLI:NL:RBROT:2025:13934

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/10/708775 / JE RK 25-2167
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarigen door de kinderrechter in Rotterdam

Op 7 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken over de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De zaak is aangespannen door de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, die zich zorgen maakt over de opvoedvaardigheden van de ouders en de stabiliteit binnen het gezin. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij hen. Tijdens de zitting, die op dezelfde dag plaatsvond, waren de ouders en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De Raad verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ouders openhartig hebben gesproken over hun situatie en bereid zijn tot verandering, maar dat er nog onvoldoende stabiliteit is voor de kinderen. De kinderrechter oordeelt dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is om de opvoedvaardigheden van de ouders te verbeteren en de draagkracht te versterken. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling goedgekeurd en deze uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met ingang van 7 november 2025 tot 7 november 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708775 / JE RK 25-2167
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen; de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats ] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats ] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 21 oktober 2025, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
  • de vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
  • de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Leger des Heils & Jeugdreclassering, (hierna te noemen: de GI), [naam 2] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad handhaaft op de zitting het verzoek. Er zijn zorgen over de opvoedvaardigheden, de onderlinge spanningen en de beperkte beschikbaarheid van de ouders. De Raad ziet dat de ouders bereid zijn tot verandering, maar dat dit onvoldoende van de grond komt zonder intensieve begeleiding. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog erg jong. Het is daarom belangrijk dat de hulpverlening niet vrijwillig is en dat de ouders ondersteuning krijgen bij het versterken van hun draagkracht en het aanbrengen van rust en structuur in het gezin. De verzochte periode is nodig om duurzame verbetering tot stand te brengen en om te voorkomen dat de situatie van de kinderen verder verslechtert. De Raad hoopt dat de ouders de ondertoezichtstelling niet als dwangmaatregel ervaren, maar als samenwerking met professionals die naast hen staan.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt op de zitting het verzoek van de Raad. Er kan meteen een jeugdbeschermer worden ingezet om het gezin te ondersteunen. De GI benadrukt dat zij vanuit samenwerking werkt en wil bijdragen aan een constructieve relatie met de beide ouders. De GI hoopt dat de ouders de begeleiding zullen ervaren als steunend en gericht op het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
De moeder stemt op de zitting in met het verzoek van de Raad. De moeder heeft het onderzoek van de Raad in eerste instantie als zeer heftig ervaren. Door gesprekken met haar huidige begeleiders is haar beeld echter veranderd. De moeder ziet inmiddels in dat een ondertoezichtstelling mogelijk kan bijdragen aan een verbetering van de thuissituatie en de rust binnen het gezin. De moeder ervaart wisselende draagkracht. Sommige weken verlopen goed, andere weken zijn zwaar. Zij merkt dat haar gemoedstoestand direct invloed heeft op het gedrag van de kinderen. Op dagen dat het haar minder goed gaat, reageren de kinderen prikkelbaarder en hebben zij meer behoefte aan duidelijkheid en veiligheid. Dat kan voor haar emotioneel zwaar zijn. Op zulke momenten zou het helpend zijn als iemand haar tijdelijk kan ondersteunen. De moeder benadrukt dat zij hulp niet afwijst. Zij heeft op meerdere momenten zelf hulp gezocht en ziet de ondertoezichtstelling meer als een uitbreiding van de bestaande begeleiding. Wel vindt zij het spannend om met een jeugdbeschermer te gaan werken, omdat zij nu een vertrouwensband heeft met haar huidige gezinscoach. Tot slot geeft de moeder aan dat het contact met de school van de kinderen is verslechterd. Er zijn door de school meldingen gedaan die voortkomen uit misverstanden, onder meer over blauwe plekken die door normaal spel ontstaan. Dit heeft de vertrouwensrelatie met de school belast. De moeder dat de samenwerking weer in een rustiger vaarwater kan komen.
4.3.
De vader brengt op de zitting het volgende naar voren. De vader staat minder positief tegenover de ondertoezichtstelling. Hij ervaart het idee van controle over het gezin als onrustgevend. Het rapport van de Raad wekt de indruk dat de ouders niet willen meewerken, terwijl dat niet klopt. De vader heeft de afgelopen periode geprobeerd rustiger te reageren en beter te relativeren in de opvoeding. Hij erkent dat hij soms behoefte heeft aan advies, maar vindt het moeilijk om tijd vrij te maken voor hulpverlening naast werk. De vader vreest dat meer hulp ook meer stress kan opleveren. Tegelijkertijd ziet hij dat de adviezen van de gezinscoach van de moeder helpend kunnen zijn, al lukt het niet altijd om die consequent toe te passen. De vader heeft nooit de bedoeling gehad de kinderen te schaden. Het is pijnlijk dat door meldingen van de school de indruk is ontstaan dat er sprake zou zijn van geweld in de thuissituatie. De blauwe plekken ontstaan op de school of bij de opvang, terwijl de ouders daar de schuld van krijgen. Dat is oneerlijk.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De rechter stelt ter zitting vast dat de ouders beiden open en eerlijk hebben gesproken over hun situatie. Duidelijk is dat zij het beste willen voor hun kinderen en bereid zijn tot verandering. Tegelijkertijd blijkt uit de stukken en de zitting dat het hen, ondanks inzet, nog niet lukt om voldoende stabiliteit te bieden. Er is al langere tijd sprake van spanningen binnen het gezin. De draagkracht van de moeder is wisselend en beïnvloedt de kinderen merkbaar. De vader probeert rust te bewaren, maar ervaart de begeleiding als belastend en voelt zich soms onbegrepen. Ook is sprake van een vertrouwensbreuk tussen de ouders en de school van de kinderen. De ingezette hulp binnen het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken.
5.3.
Gelet op alle zorgen acht de kinderrechter de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk in het belang van de kinderen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer biedt een kader waarin samen met de ouders gewerkt kan worden aan herstel van rust en vertrouwen, verbetering van hun opvoedvaardigheden en versterking van de draagkracht. In de komende periode kan de GI de situatie volgen, ondersteunen en evalueren of verdere verlenging nodig is. Daarbij is het belangrijk dat de GI werkt vanuit een samenwerkingsgerichte houding en dat de ouders blijven meewerken, zodat het traject niet als dwang maar als ondersteuning wordt ervaren.
5.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar, met ingang van 7 november 2025 tot 7 november 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 7 november 2025 tot 7 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.