ECLI:NL:RBROT:2025:13943

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/10/708929 / KG ZA 25-1070
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot uitkering van legaten en verstrekking van informatie door executeur in kort geding

In deze zaak vorderen eisers, die legatarissen zijn van de nalatenschap van erflater, dat de gedaagde, die als executeur van de nalatenschap optreedt, hen de legaten uitkeert en informatie verstrekt over de afwikkeling van de nalatenschap. De eisers hebben op 6 november 2025 een dagvaarding uitgebracht, waarna een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2025. De rechtbank heeft op 28 november 2025 uitspraak gedaan in kort geding. De rechtbank oordeelt dat de gedaagde niet voldoende openheid van zaken heeft gegeven over de stand van de nalatenschap en dat de eisers recht hebben op de uitkering van de legaten. De vorderingen van eisers worden deels toegewezen. De gedaagde wordt veroordeeld om binnen een week na betekening van het vonnis een bedrag van € 16.233,00 aan iedere eiser te betalen en om bepaalde stukken met betrekking tot de nalatenschap te verstrekken. De rechtbank wijst de gevorderde dwangsom af, omdat deze niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. De gedaagde wordt ook veroordeeld in de proceskosten van de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/708929 / KG ZA 25-1070
Vonnis in kort geding van 28 november 2025
in de zaak van

1.[eisende partij 1] ,

wonend in [plaats 1] ,
2.
[eisende partij 2],
wonend in [plaats 2] ( [land] ),
3.
[eisende partij 3],
wonend in [plaats 1] ,
4.
[eisende partij 4],
wonend in [plaats 3] ,
5.
[eisende partij 5],
wonend in [plaats 4] ,
6.
[eisende partij 6],
wonend in [plaats 5] ,
7.
[eisende partij 7],
wonend in [plaats 6] ,
8.
[eisende partij 8],
wonend in [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij] e.a.,
advocaat: mr. I.E. van der Bijl te Amsterdam,
tegen
[gedaagde partij],
IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN EXECUTEUR VAN DE NALATENSCHAP VAN [erflater],
kantoorhoudend in [plaats 7] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] q.q.,
advocaat: mr. I. Jonker te Hendrik-Ido-Ambacht.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 november 2025, met 19 producties;
- de mondelinge behandeling op 14 november 2025;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde partij] q.q.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] 2020 is [erflater] (hierna: erflater) overleden.
2.2.
Conform het testament van erflater van 12 juni 2020 is [gedaagde partij] benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflater.
2.3.
In het testament staat onder meer dat erflater 1% van het zuiver saldo van de nalatenschap – niet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente en zonder plaatsvervulling – legateert aan [eisende partij] e.a. In het testament staat voorts dat de legaten zo spoedig mogelijk moeten worden uitgekeerd/afgegeven.
2.4.
Op 23 augustus 2024 heeft de belastingdienst aanslagen erfbelasting 2020 opgelegd aan [eisende partij] e.a. van € 16.233,00 ieder, op basis van € 56.321,00 als ‘totale verkrijging uit de erfenis’. De belastingdienst heeft die beschikkingen verzonden aan [gedaagde partij] q.q. met het verzoek [eisende partij] e.a. daarover te informeren. [gedaagde partij] q.q. heeft de aanslagen niet doorgestuurd aan [eisende partij] e.a.
2.5.
In oktober 2024 heeft de belastingdienst een betalingsherinnering voor de aanslagen erfbelasting 2020 rechtstreeks aan [eisende partij] e.a. verzonden. Eisers 4 en 5 hebben daarop contact opgenomen met [gedaagde partij] q.q. Die deelde mee dat [eisende partij] e.a. niets hoefden te doen in verband met de lopende bezwaarprocedure, dat de belastingdienst aan iedereen uitstel had verleend en dat [gedaagde partij] q.q. de juiste en complete aangifte had ingediend.
2.6.
Bij brief van 18 augustus 2025 heeft eiser 6 aan [gedaagde partij] q.q. verzocht om verstrekking van informatie over de huidige stand van zaken in de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Bij e-mail van 7 september 2025 heeft [gedaagde partij] q.q. geantwoord dat er een achterstand is ontstaan in verband met ziekte en een ongeluk, en dat hij op korte termijn een overleg had met de belastingdienst om de aanslag erfbelasting af te ronden.
2.7.
Bij brief van 16 september 2025 heeft de belastingdienst aan [eisende partij] e.a. bericht dat het gegeven uitstel is komen te vervallen en dat zij ieder het bedrag van € 16.233,00 (exclusief kosten) aan erfbelasting binnen 14 dagen moeten voldoen.
2.8.
Bij brief van 24 september 2025 heeft de advocaat van [eisende partij] e.a. [gedaagde partij] q.q. gesommeerd om aan [eisende partij] e.a. ieder een bedrag van € 54.110,00 te betalen uit de nalatenschap van erflater en om de boedelbeschrijving en aangifte erfbelasting te verstrekken. [gedaagde partij] q.q. heeft daar niet op gereageerd, ook niet op de latere sommaties van [eisende partij] e.a.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] e.a. vorderen – na eisvermindering – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde partij] q.q. te veroordelen om, binnen 48 uur na het te wijzen vonnis, de geldlegaten aan [eisende partij] e.a. te betalen, ter hoogte van € 56.321,00 voor iedere eisende partij, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] q.q. weigert zijn medewerking daaraan te verlenen;
II. indien de voorzieningenrechter vordering I niet toewijst, te bepalen dat [gedaagde partij] q.q. in ieder geval binnen 48 uur na het te wijzen vonnis het bedrag aan erfbelasting ter hoogte van € 16.233,00 aan iedere eisende partij dient te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] q.q. weigert zijn medewerking daaraan te verlenen;
III. te bepalen dat [gedaagde partij] q.q. aan [eisende partij] e.a. binnen 48 uur na het te wijzen vonnis inzage geeft in de (afwikkeling van de) nalatenschap en de volgende stukken aan [eisende partij] e.a. verstrekt:
  • boedelbeschrijving van de nalatenschap met onderliggende bewijsstukken;
  • toelichting op de stand van de afwikkeling van de nalatenschap (in het bijzonder de legaten zoals deze aan eisers moeten worden uitgekeerd);
  • alle correspondentie aangaande de nalatenschap;
  • aangifte erfbelasting;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] q.q. weigert zijn medewerking daaraan te verlenen;
IV. te bepalen dat [gedaagde partij] q.q. in de werkelijke kosten van het geding wordt veroordeeld, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, waarbij deze kosten niet van de nalatenschap van de erflater mogen worden voldaan.
3.2.
[gedaagde partij] q.q. concludeert tot afwijzing van de vorderingen en verzoekt de procedure voor zes weken aan te houden zodat het dossier, inclusief de boedelbeschrijving en de berekening van de legaten, inzichtelijk kan worden gemaakt.

4.De beoordeling

4.1.
Bij de beoordeling van een vordering in kort geding is van belang of de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten, en hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Daarbij dient de voorzieningenrechter uit te gaan van de in deze procedure gepresenteerde feiten met een beperkte toetsing daarvan op basis van de stukken die tot het procesdossier behoren.
Verzoek van [gedaagde partij] q.q. tot aanhouding
4.2.
Het verzoek om de procedure voor zes weken aan te houden, wordt afgewezen. De vereffening van de nalatenschap duurt nu al jaren zonder dat [gedaagde partij] q.q. openheid van zaken geeft over de reden van die vertraging en over de huidige stand van zaken. Verder heeft [gedaagde partij] q.q. geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen om aan te nemen dat hij in staat is om nu wel en dan ook nog eens binnen zes weken de berekening van de legaten inzichtelijk te maken. De voorzieningenrechter acht een aanhouding dan ook niet zinvol.
Vordering I
4.3.
Vordering I wordt afgewezen, omdat de omvang van de uit te keren legaten met de voorliggende stukken niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
4.4.
[gedaagde partij] q.q. heeft ter zitting gemotiveerd betoogd dat het saldo van de nalatenschap op dit moment € 1.128.116,00 bedraagt (wat zou neerkomen op een gelegateerd bedrag van € 11.281,16 voor iedere eiser), maar dat dit bedrag nog niet definitief vaststaat vanwege discussies over de waardering van bepaalde posten. Dat betekent volgens hem niet alleen dat de omvang van de legaten nog onzeker is, maar ook dat het bedrag waar [eisende partij] e.a. van uitgaan te hoog is.
4.5.
[eisende partij] e.a. hebben van hun kant geen onderbouwing gegeven van de gestelde omvang van € 56.321,00 ieder. Zij baseren hun vordering enkel op wat in de aanslagen erfbelasting is vermeld over de verkrijging uit de erfenis, zonder dat duidelijk is hoe de belastingdienst op dat bedrag is gekomen, hoewel voor de hand ligt dat dit volgt uit de aangifte die [gedaagde partij] q.q. zou hebben verzorgd.
4.6.
Volgens [gedaagde partij] q.q. kloppen de aanslagen niet en loopt een bezwaarprocedure daaromtrent nog. Of dat zo is en, zo ja, wat daarvan de stand van zaken is, is bij gebrek aan enige onderbouwing ook niet duidelijk, maar [eisende partij] e.a. hebben verklaard dat de accountant van eiser 4 nog in gesprek is met de belastingdienst over de definitieve omvang van de legaten en de daaruit voortvloeiende erfbelasting. Bij die stand van zaken is er onvoldoende grond om voor wat betreft de omvang van de legaten uit te gaan van het genoemde bedrag in de aanslagen.
Vordering II
4.7.
De in vordering II vermelde formulering ‘te bepalen dat…’ heeft een declaratoir karakter en kan niet als zodanig in kort geding worden toegewezen. De voorzieningenrechter begrijpt echter dat [eisende partij] e.a. bedoelen te vorderen dat [gedaagde partij] q.q. wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag en uit zijn proceshouding volgt dat [gedaagde partij] q.q. dat ook zo heeft begrepen.
4.8.
Het spoedeisend belang van [eisende partij] e.a. bij deze vordering is voldoende aannemelijk. Zij hebben een aanslag erfbelasting ontvangen, maar kunnen die niet betalen zolang zij hun legaat niet hebben ontvangen.
4.9.
[gedaagde partij] q.q. betoogt dat hij als executeur ingevolge artikel 47 Invorderingswet hoofdelijk aansprakelijk is voor de aanslag erfbelasting en dat hij op grond van artikel 4:7 lid 1 sub e BW in combinatie met artikel 4:144 lid 1 BW de aanslag erfbelasting moet voldoen, zodat het bedrag van de aanslag erfbelasting niet aan [eisende partij] e.a. moet worden uitbetaald. Dit betoog gaat niet op. Uit het testament van erflater volgt dat het gelegateerde bedrag niet vrij is van rechten en kosten. Dat betekent dat de erfbelasting die verschuldigd is naar aanleiding van het gelegateerde bedrag voor rekening komt van [eisende partij] e.a. en niet wordt voldaan uit de nalatenschap. Daarmee rijmt dat de belastingdienst de aanslagen erfbelasting rechtstreeks bij [eisende partij] e.a. heeft belast.
4.10.
Feit is dat [eisende partij] e.a. op dit moment te maken hebben met aanslagen erfbelasting die op korte termijn moeten worden betaald. Het is niet uit te sluiten dat de hoogte van die aanslagen in de toekomst wordt verlaagd naar aanleiding van de bezwaarprocedure dan wel de gesprekken tussen de accountant van eiser 4 en de belastingdienst, maar concrete aanknopingspunten dat dat (op korte termijn) gaat gebeuren, zijn er op dit moment niet. De stelling van [gedaagde partij] q.q. dat het gelegateerde bedrag dat voor iedere eiser thans nog resteert neerkomt op een bedrag van € 11.281,16 hebben [eisende partij] e.a. betwist en is verder niet onderbouwd. Het lag op de weg van [gedaagde partij] q.q. om duidelijkheid te verschaffen over de door hem ingediende aangiftes erfbelasting en de stand van zaken van de bezwaarprocedure. Dat heeft hij niet gedaan. Daarmee is voorshands niet aannemelijk dat het gevorderde bedrag (ter hoogte van de erfbelasting) hoger uitvalt dan de uiteindelijke omvang van het geldlegaat. Gelet daarop weegt het belang van [gedaagde partij] q.q. om hem meer tijd te gunnen voor de afwikkeling van de nalatenschap niet op tegen het belang van [eisende partij] e.a. bij uitkering van het gevorderde bedrag ter voldoening van de aanslag erfbelasting.
4.11.
Dat brengt met zich dat [gedaagde partij] q.q. wordt veroordeeld om binnen een week na de betekening van dit vonnis, als voorschot op de uit te keren geldlegaten, het bedrag van € 16.233,00 aan iedere eiser te voldoen.
4.12.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Op grond van artikel 611a lid 1 Rv kan een dwangsom niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom, zoals hier aan de orde.
Vordering III
4.13.
Ook hier gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [eisende partij] e.a. bedoelen te vorderen dat [gedaagde partij] q.q. wordt veroordeeld tot inzage in (de afwikkeling van) de nalatenschap en verstrekking van bepaalde stukken.
4.14.
Uit artikel 4:119 BW volgt dat de executeur de legataris zo spoedig mogelijk van het legaat in kennis stelt. De wettelijke informatieplicht van de executeur aan de legataris reikt in beginsel niet verder dan dat. Dat neemt niet weg dat de executeur verplicht is om zich jegens de legataris te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:2 BW.
4.15.
[gedaagde partij] q.q. heeft de legaten vijf jaar na het overlijden van erflater nog steeds niet uitgekeerd laat staan vastgesteld en geeft verder geen inzicht in de stand van zaken bij de vereffening van de nalatenschap. Tegelijkertijd hebben [eisende partij] e.a. onderbouwd gesteld dat er al wel enkele uitkeringen van legaten hebben plaatsgevonden vanuit de nalatenschap. [gedaagde partij] q.q. heeft dat niet bestreden. Het betreft de uitkering van de legitieme portie aan de dochter van erflater, een voorschotuitkering aan de enige erfgenaam van erflater (UNICEF) en een uitkering van een legaat van € 10.000,00 aan ParkinsonNL. Verder heeft [gedaagde partij] q.q. nagelaten om [eisende partij] e.a. te informeren over de van de belastingdienst ontvangen aanslagen erfbelasting (terwijl de belastingdienst hem dat heeft verzocht). Bij die gang van zaken mag van [gedaagde partij] q.q. redelijkerwijs worden verlangd dat hij aan [eisende partij] e.a. openheid van zaken geeft over de afwikkeling van de nalatenschap door het verstrekken van bepaalde stukken.
4.16.
[gedaagde partij] q.q. wordt veroordeeld om, binnen een week na de betekening van dit vonnis, de volgende stukken aan [eisende partij] e.a. te verstrekken:
  • boedelbeschrijving van de nalatenschap met onderliggende bewijsstukken;
  • een overzicht van de uitbetalingen uit de nalatenschap;
  • aangifte(s) erfbelasting met betrekking tot de legaten van [eisende partij] e.a.
De overige gevorderde stukken zijn te ruim geformuleerd en daardoor onvoldoende bepaalbaar om toe te wijzen.
4.17.
De aan deze veroordeling te verbinden dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
4.18.
[gedaagde partij] q.q. is op terechte gronden in rechte betrokken, zodat hij de proceskosten van [eisende partij] e.a. moet betalen.
4.19.
De gevorderde veroordeling in de werkelijke proceskosten stuit alleen al af op het niet noemen van een bedrag. Uitgegaan wordt van de geldende liquidatietarieven. De proceskosten van [eisende partij] e.a. worden begroot op:
- betekeningskosten € 145,45
- griffierecht € 2.723,00
- salaris € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.153,45
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.21.
De vordering dat de proceskosten niet uit de nalatenschap mogen worden voldaan, is niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde partij] enkel in de hoedanigheid van executeur (zodat de nalatenschap wordt aangesproken) is gedagvaard en niet ook in privé.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] q.q. om, binnen een week na de betekening van dit vonnis, het bedrag van € 16.233,00 te voldoen aan iedere eisende partij;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] q.q. om, binnen een week na de betekening van dit vonnis, de volgende stukken te verstrekken aan [eisende partij] e.a.:
  • boedelbeschrijving van de nalatenschap met onderliggende bewijsstukken;
  • een overzicht van de uitbetalingen uit de nalatenschap;
  • aangifte(s) erfbelasting met betrekking tot de legaten van [eisende partij] e.a.;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] q.q. om aan [eisende partij] e.a. een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet voldoet aan de in 5.2. uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] q.q. in de proceskosten van € 4.153,45, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; als het vonnis wordt betekend, moet [gedaagde partij] q.q. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] q.q. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
2091 / 2009