Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
,
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 oktober 2025;
- de door partijen overgelegde producties;
- de ter zitting voorgedragen pleitaantekeningen.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een kort geding waarin de verhuurder vordert dat de huurder zijn woning ontruimt vanwege de aanwezigheid van lachgasflessen, die verboden zijn volgens de Opiumwet. De politie trof op 18 mei 2025 in de woning twaalf lachgasflessen aan, waarvan zes bijna leeg waren, en meerdere personen waaronder de broer van de huurder.
De verhuurder had de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en stelde dat de huurder zich niet als goed huurder had gedragen door het toestaan van verboden stoffen en overlast. De huurder betwistte dit en stelde dat hij niet op de hoogte was van de situatie, omdat zijn broer zonder zijn toestemming de woning gebruikte.
De kantonrechter oordeelde dat de buitengerechtelijke ontbinding geen grondslag meer bood voor ontruiming, mede omdat de burgemeester de woning niet had gesloten. Hoewel sprake was van een tekortkoming door de illegale situatie, kon de huurder geen ernstig verwijt worden gemaakt omdat hij niet wist van de lachgasflessen en maatregelen had genomen om herhaling te voorkomen.
Daarom werd de belangenafweging gemaakt waarbij het belang van de huurder om in de woning te blijven zwaarder woog dan het belang van de verhuurder bij ontruiming. De vordering tot ontruiming werd afgewezen en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woning wordt afgewezen omdat de huurder niet wist van de lachgasflessen en geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.