ECLI:NL:RBROT:2025:13948
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen opleggen Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer
Verzoeker, de algemeen directeur van het CBR, is door het CBR verplicht gesteld een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) te volgen nadat hij op 27 november 2023 weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek en op 9 april 2024 onder invloed van drugs werd aangetroffen. Het CBR schorste aanvankelijk zijn rijbewijs en legde hem een onderzoek op. Na een psychiatrisch onderzoek waarbij geen stoornis in het drugsgebruik werd vastgesteld, besloot het CBR op 4 juli 2025 dat verzoeker zijn rijbewijs mocht behouden, maar alsnog de EMD moest volgen.
Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de EMD niet te hoeven volgen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang onvoldoende was aangetoond, mede omdat verzoeker een betalingsregeling had getroffen en geen betalingsachterstanden aannemelijk had gemaakt. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, omdat de politieprocessen-verbaal over de gebeurtenissen van november 2023 en april 2024 vaststaan en het psychiatrisch rapport deze niet tegenspreekt.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen reden was om het besluit van het CBR te schorsen en wees het verzoek af. Er was geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de oplegging van de Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer wordt afgewezen.