ECLI:NL:RBROT:2025:13950

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/10/671117 / FA RK 23-9413
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en hoofdverblijfplaats van minderjarigen na echtscheiding

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 9 december 2025 een beschikking gegeven over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Burger, verzocht om wijziging van de zorgregeling, zodat de minderjarigen om de veertien dagen bij de man verblijven en de vakantieverdeling aan te passen. De man, vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Broekzitter-Nieuwland, voerde verweer en vroeg om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te vestigen. De rechtbank heeft de verzoeken van beide partijen afgewezen, omdat er geen wijziging van omstandigheden was die een aanpassing van de bestaande zorgregeling rechtvaardigde. De rechtbank oordeelde dat de huidige regeling, waarbij de kinderen om de even weken bij de vrouw en om de oneven weken bij de man verblijven, in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank benadrukte dat de opvoedstijlen van de ouders verschillen, maar dat dit op zich niet schadelijk is voor de kinderen. De rechtbank heeft ook de proceskosten gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/671117 / FA RK 23-9413
Beschikking van 9 december 2025 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Burger te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van doorverwijzing van 19 augustus 2025;
  • de (tussen)beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2025;
  • het eindrapport van Enver van 6 juni 2025;
  • het bericht met producties (17 en 18) van de vrouw van 18 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door I. Dhondt.
1.3.
De minderjarige, [minderjarige 1] , is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn op 9 juli 2016 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 17 januari 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 december 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen oefenen de ouders gezamenlijk
uit.
2.4.
In de echtscheidingsbeschikking is de inhoud van het door partijen ondertekende ouderschapsplan opgenomen. Daarin is onder meer het volgende overeengekomen:
Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoortDe kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder en zullen op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. (…)
Artikel 3 – Verzorging en opvoedingArtikel 3.1 Co-ouderschap
De ouders hebben co-ouderschap afgesproken volgens de onderstaande
regeling.
De kinderen wonen de even weken bij de moeder en de oneven weken bij de
vader. De wisseldag [toevoeging rechtbank] is op een maandag rond 17:00
uur.
In de bijlage hebben de ouders aanvullende afspraken gemaakt over de
vakanties en het verdelen van zorgtaken.
Artikel 3.2 Vervoer
De ouder waar de kinderen zijn, brengt de kinderen op de wisseldag naar de
andere ouder.(…)
Bijlage: Vakanties
(…)
Indien de ouders niet op vakantie gaan dan loopt het schema van de co-
ouderschap door. Indien 1 van de ouders op vakantie wil in een vakantie zal
de andere ouder daaraan meewerken.
Zomervakantie: Voor 2022 spreken de ouders af dat de kinderen bij vader
zijn in week 1, 2 en 6. De weken 3,4 en 5 zijn de kinderen bij moeder. Het jaar
daarna stemmen de ouders in onderling overleg af.”
2.2.
Partijen hebben de regeling nadien mondeling gewijzigd in de zin dat de wisseldag
is gewijzigd naar zondag om 16:00 uur (direct na zwemles).

3.De beoordeling

3.1.
Stand van zaken
3.1.1.
Over het geschilpunt ‘vervangende toestemming’ heeft de rechtbank in haar beschikking van 23 augustus 2024 een oordeel gegeven. Dat geschilpunt ligt dus niet meer voor. Wel ligt nog voor de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Naar aanleiding van de vorige mondelinge behandeling zijn partijen doorverwezen naar het hulpverleningstraject Kinderen uit de Knel. Partijen hebben deelgenomen aan dit traject bij Enver. Enver heeft hierover een eindverslag opgesteld dat aan het dossier is toegevoegd.
3.2.
Zorgregeling en hoofdverblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt na wijziging:
I. de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 23 december 2021 en het onderliggende ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat de minderjarigen om de veertien dagen van vrijdag na het avondeten tot en met zondag 16:00 uur bij de man verblijven, alsmede in de andere week van dinsdag na school tot en met woensdag voor school;
II. de vakantieverdeling zoals opgenomen in de beschikking van 23 december 2021 en het onderliggende ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat de minderjarigen in de zomervakantie maximaal twee weken achtereen gesloten bij de man verblijven en de overige vakanties de minderjarigen bij de vrouw verblijven.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Voor zover de rechtbank de huidige zorgregeling met gelijke verdeling van de zorgtaken beëindigt, verzoekt hij – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben en dat er tussen de vrouw en de minderjarigen een zorgregeling zal gelden waarbij de minderjarigen om het weekend een weekend bij de vrouw verblijven van vrijdag uit school tot zondag 16:00 uur. Verder verzoekt hij de regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen zoals overeengekomen in het door partijen ondertekende ouderschapsplan ongewijzigd te laten.
3.2.3.
De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw en de man tot wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van de minderjarigen af. Dat zal zij hierna uitleggen.
3.2.4.
De rechtbank kan een bestaande zorgregeling wijzigen als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de eerdere beslissing over de zorgregeling van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. [1] Deze wijzigingsgronden doen zich in dit geval niet voor.
3.2.5.
Partijen hebben al een aantal jaren een zorgregeling waarbij de minderjarigen de even weken bij de vrouw en de oneven weken bij de man verblijven. Gebleken is dat de opvoedstijlen van de vrouw en de man van elkaar verschillen. Uit het eindverslag van Enver blijkt dat beide partijen zich in intentie en goede bedoelingen niet gezien en gehoord voelen. De vrouw wil het graag heel goed doen met de minderjarigen. Vanuit de oorspronkelijke situatie waarin de vrouw het huishouden en de zorg voor de minderjarigen regelde, voelt zij zich nog steeds verantwoordelijk en pakt zij ook die verantwoordelijkheid op. Daarbij heeft zij specifieke eisen over huiswerk maken, eten, kleding, schermgebruik, etcetera. De man wil hier echter geen afspraken over maken, omdat hij het ervaart alsof de vrouw voorschrijft hoe het in zijn huis moet gebeuren. De man stelt minder hoge eisen of wil meer aansluiten bij wat de minderjarigen fijn vinden. Volgens Enver ervaart de vrouw het huis van de man als “niet goed genoeg”. De man vindt dit onverdraaglijk en trekt zich steeds meer terug. Ook bij Enver is het partijen niet gelukt hierover het gesprek te voeren. Enver adviseert de bestaande zorgregeling vast te houden. Daarbij benadrukt Enver dat een verschil in aanpak op zich niet schadelijk is voor de minderjarigen, maar strijd over die verschillen wel. Enver geeft ook aan dat het goed is dat de zorgregeling loopt en dat de minderjarigen weten waar ze aan toe zijn. Daarbij worden er soms ook uitzonderingen aan elkaar gevraagd en soms toegezegd. Enver vraagt de ouders blij te zijn met wat er wel is.
3.2.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad aangegeven geen reden te zien om de zorgregeling of het hoofdverblijf te wijzigen. Ook de raad heeft benadrukt dat een verschil in opvoedstijlen op zich niet schadelijk is voor de minderjarigen, maar strijd daarover wel.
3.2.7.
De rechtbank ziet in de stellingen van de vrouw geen wijziging van omstandigheden die maakt dat de destijds overeengekomen zorgregeling moet worden gewijzigd. Weliswaar loopt de communicatie tussen partijen moeizaam, maar niet is gebleken dat de minderjarigen tijdens hun verblijf bij de man iets tekort komen of dat zijn manier van opvoeden anderszins schadelijk voor de minderjarigen is. Daarom zal de zorgregeling blijven zoals hij nu is. Ook bestaat er geen aanleiding om de vakantieregeling aan te passen.
3.2.8.
Omdat de rechtbank geen wijziging van omstandigheden aanneemt, zal ook het verzoek van de man tot wijziging van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen worden afgewezen.
3.3.
Terugkoppeling [minderjarige 1]
3.3.1.
De kinderrechter zal [minderjarige 1] een brief schrijven over wat zij heeft beslist. In die brief staat het volgende:
“Beste [minderjarige 1] ,
We hebben elkaar op 20 november 2025 op de rechtbank gesproken in de koeienkamer. Je vertelde mij dat je de ene week bij je moeder bent en de andere week bij je vader. Je vindt het fijn dat je op deze manier allebei je ouders veel ziet. De wisselingen tussen de verschillende huizen vind je lastig, omdat je dan weer moet wennen aan andere regels.
Ik heb je vader en moeder inmiddels ook gesproken op de rechtbank. Ik heb gemerkt dat zij allebei erg veel van jou en je zusje houden en dat zij allebei willen dat jullie zo stabiel en gelukkig mogelijk opgroeien. Ik heb je moeder ook verteld dat je het soms moeilijk vindt om met haar te praten als er iets is misgegaan, omdat ze dan snel boos wordt. Je moeder vertelde dat je altijd bij haar terecht kunt als er iets is. Aan je vader heb ik verteld dat hij moet opletten op zijn woorden.
Jouw ouders willen jou en je zusje allebei vaker zien dan nu. Ik heb daarover nagedacht, maar ik zal de regeling zoals die nu is niet veranderen. Dan hoeven jullie niet te vaak te wisselen van huis en zien jullie je vader en je moeder allebei even vaak.
Ik wens je veel succes met alles!”
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst alle verzoeken van de vrouw en de man af;
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Lunenberg, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van H. Philips, griffier, op 9 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 1:253a in samenhang gelezen met artikel 1:377e van het BW.