In deze zaak heeft eiseres, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. T. Harmankaya, een kort geding aangespannen tegen gedaagde B.V., die niet is verschenen. De procedure is gestart met een dagvaarding op 21 november 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 27 november 2025. Eiseres vordert onder andere dat het vonnis in de plaats treedt van het besluit tot haar uittreden als directeur en de intreding van gedaagde als directeur per 1 april 2025, evenals de levering van aandelen van haar aan gedaagde per 1 januari 2025. Eiseres stelt dat er een koopovereenkomst is gesloten op 20 en 30 december 2024, maar dat gedaagde geen medewerking verleent aan de levering van de aandelen. Eiseres heeft sinds april 2025 feitelijk geen zeggenschap meer over het bedrijf, wat haar aansprakelijkheidsrisico's met zich meebrengt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vordering van eiseres, die is gebaseerd op artikel 3:300 BW, toewijsbaar is. Het vonnis bepaalt dat gedaagde moet meewerken aan de inschrijving van de wijzigingen bij de Kamer van Koophandel en dat gedaagde elke handeling moet nalaten die gericht is op het terugkrijgen van de koopsom voor de aandelen. Gedaagde wordt ook veroordeeld in de proceskosten van eiseres, die zijn begroot op € 1.368,47, en moet wettelijke rente betalen over deze kosten. Het vonnis is uitgesproken op 1 december 2025.