Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn huurwoning uit te voeren. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. Verzoeker ontvangt een Wajong-uitkering, zorg- en huurtoeslag en heeft een budgetplan overlegd waaruit blijkt dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan.
Tijdens de zitting werd versneld beschermingsbewind ingesteld, waardoor een beschermingsbewindvoerder de betaling van de vaste lasten, waaronder de huur, waarborgt. De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegekend met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt. De beschermingsbewindvoerder dient uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uit te brengen.