Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij een schuldregeling werd aangeboden aan schuldeisers met een betaling van 22,85% aan preferente en 11,43% aan concurrente schuldeisers. De regeling was gebaseerd op voortzetting van een Ziektewetuitkering, terwijl verzoeker inmiddels een WIA-uitkering geniet en de afloscapaciteit aanzienlijk is gestegen.
De schuldeisers [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] weigerden in te stemmen met het akkoord, stellende dat verzoeker niet te goeder trouw was en niet het maximale haalbare had aangeboden. De rechtbank oordeelde dat deze weigering redelijk was omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat het aanbod het uiterste was wat verzoeker kon bieden. Medische stukken die volledige arbeidsongeschiktheid zouden aantonen ontbraken.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van de weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker en de overige schuldeisers, en wees het verzoek om gedwongen schuldregeling af. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling zal nog volgen.