ECLI:NL:RBROT:2025:13983

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
C/10/710517 / FA RK 25-8913
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

Op 24 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam een mondelinge uitspraak gedaan over de voortzetting van een crisismaatregel voor een betrokkene, geboren in 1983, die momenteel verblijft in een instelling. De officier van justitie had op 20 november 2025 een verzoek ingediend om de op 19 november 2025 opgelegde crisismaatregel voort te zetten. Tijdens de mondelinge behandeling was de betrokkene aanwezig met zijn advocaat, mr. S.M. Posthumus, terwijl de officier van justitie niet aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel voor de betrokkene, die lijdt aan een bipolaire stoornis en recentelijk manische symptomen vertoonde. Ondanks het verweer van de betrokkene dat het ernstig nadeel onvoldoende is, oordeelt de rechtbank dat de situatie zo ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. De rechtbank verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, die een geldigheidsduur heeft van drie weken, en bepaalt dat verplichte zorg kan worden toegepast, waaronder het beperken van de bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie. De rechtbank wijst andere door de officier verzochte zorgvormen af, omdat deze niet noodzakelijk zijn. De beslissing is op 24 november 2025 mondeling gegeven en op 3 december 2025 schriftelijk uitgewerkt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/710517 / FA RK 25-8913
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 24 november 2025 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1983, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [naam instelling] te [plaatsnaam] ,
advocaat mr. S. Epema te Rotterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 november 2025, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 19 november 2025 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een afschrift van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2025 waarin de behandeling van het verzoek van de officier is verwezen naar de rechtbank Rotterdam;
  • een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 19 november 2025;
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 19 november 2025;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz
en de Wvggz;
- de relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met advocaat mr. S.M. Posthumus, namens de hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2] , arts, verbonden aan Antes.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2.Beoordeling

2.1.
Namens betrokkene is naar voren gebracht dat het ernstig nadeel zoals in het verzoek beschreven, onvoldoende is. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat in de stukken beschreven gebeurtenissen voor de opname niet werden veroorzaakt door een manische ontregeling en geeft hierbij een - volgens de advocaat plausibele - alternatieve uitleg. Voor zover de rechtbank dit standpunt niet volgt, dient het verzoek eveneens te worden afgewezen aangezien op dit moment geen sprake meer is van acuut dreigend ernstig nadeel. De rechtbank volgt dit verweer niet en overweegt als volgt.
2.1.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige financiële schade, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Betrokkene is bekend met een bipolaire stoornis, waarbij sinds enige tijd sprake is van een manische ontregeling. Hoewel betrokkene erkent dat dit enkele weken geleden het geval was, meent hij dat het toestandsbeeld inmiddels is verbleekt. De arts heeft naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende toegelicht dat de manische symptomen zich op dit moment nog voordoen en ziet geen reden om aan dit medisch oordeel te twijfelen.
In de thuissituatie is aanvankelijk geprobeerd om met het IBT-team een opname te voorkomen. Volgens de ambulante behandelaars hield betrokkene zich echter niet aan afspraken, was er een vermoeden van medicatieontrouw en reageerde hij soms geagiteerd en dreigend naar het IBT-team. Kort voor de opname kwam betrokkene in een café in conflict met een bezoeker en heeft hij onder invloed van alcohol schade veroorzaakt aan een andere auto. Hoewel de rechtbank van betrokkene wil aannemen dat deze feiten en omstandigheden niet één op één een gevolg zijn van zijn manie, moet worden vastgesteld dat ondanks een verhoging van de medicatie de depakinespiegel bij bloedonderzoek te laag bleek, en dat de samenwerking met zijn ambulante behandelaars op meerdere momenten moeizaam verliep. Dat onder deze omstandigheden vanuit het ambulante team is overgegaan tot een opname, acht de rechtbank begrijpelijk. Binnen de kliniek betrokkene wordt betrokkene op dit moment verder ingesteld op medicatie tot hij psychisch is gestabiliseerd. De arts verklaart dat hiervoor nog enige tijd een opname nodig is en dat de op dit moment goede samenwerking nog pril is. Er moet worden gekeken hoe de terugkeer naar huis kan worden vormgegeven en hoe de vertrouwensband met het ambulante team kan worden hersteld.
2.2.
Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een bipolaire stoornis.
2.3.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
2.4.
Op basis van de medische verklaring en de mondelinge behandeling, acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
  • het opnemen in een accommodatie.
2.5.
Door de advocaat is subsidiair aangevoerd dat betrokkene zich niet verzet tegen de hervatting van zijn behandeling in een ambulant kader, zodat verplichte zorg bij gebrek aan verzet daarvoor niet noodzakelijk is. De rechtbank volgt de advocaat in dit verweer. Betrokkene heeft de opname nog nodig om verder te stabiliseren en verzet zich daar op dit moment tegen, maar hij verzet zich niet tegen het gebruik van medicatie, de daarbij benodigde controles en voortzetting van de behandeling die hij in de thuissituatie al langere tijd accepteerde. Om die reden zal de rechtbank de verzochte zorgvormen ‘het toedienen van medicatie’, ‘het verrichten van medische controles’ en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten’ afwijzen. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat betrokkene op deze punten vrijwillig aan de behandeling zal meewerken.
2.6.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding, alsmede het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, het insluiten, het uitoefenen van toezicht op betrokkene, het onderzoek aan kleding of lichaam, het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen en het beperken van het recht op het ontvangen van bezoek, worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd, dan wel omdat de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
2.7.
Betrokkene verzet zich tegen de huidige opname en wil in zijn eigen omgeving herstellen; hij is van mening dat dit ook kan. Betrokkene wil niet langer opgenomen zijn en vindt dat hij niet thuishoort op de afdeling waar hij thans verblijft. De arts licht toe dat de opname nog nodig is om te stabiliseren en om het ontslag in goede banen te leiden. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.8.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.9.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na vandaag.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.4. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 15 december 2025;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 24 november 2025 mondeling gegeven door mr. J.M.L. van Mulbregt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Z.P. van der Knaap, griffier, en op 3 december 2025 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.