Verzoeker heeft op 1 juli 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij hij een nul-aanbod deed aan zijn schuldeisers om de schulden kwijt te schelden zonder uitkering.
De meeste schuldeisers stemden in met het voorstel, behalve Hef Wonen en Zorg en Zekerheid. Hef Wonen weigerde vanwege kosten van een druggerelateerde ontruiming, terwijl Zorg en Zekerheid het verzoek niet-ontvankelijk wilde verklaren en het aanbod onvoldoende gedocumenteerd vond. Zij betwijfelden de blijvende afloscapaciteit van verzoeker en de stabiliteit van zijn financiële situatie.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijkheidsverweer ongegrond was, maar dat de weigering van Hef Wonen en Zorg en Zekerheid om in te stemmen met het akkoord redelijk was. De belangen van deze schuldeisers wogen zwaarder dan die van verzoeker en de overige schuldeisers, mede omdat het voorstel niet aannemelijk maakte dat het het uiterste was wat verzoeker kon bieden. De rechtbank wees daarom het verzoek tot gedwongen schuldregeling af.