ECLI:NL:RBROT:2025:13990

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1148
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid maximaal haalbare aanbod

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om Interbank te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een betaling van 3,06% van de totale schuldenlast aan de concurrente schuldeisers, gefinancierd door een saneringskrediet, gebaseerd op haar huidige Participatiewet-uitkering.

Interbank, schuldeiser met een vordering van €27.546,96, stemt niet in met het akkoord en stelt dat het aangeboden bedrag te laag is en niet het maximaal haalbare vertegenwoordigt. Zij wijst op het ontbreken van medische ongeschiktheid en ontheffing van de arbeidsplicht, en stelt dat verzoekster haar inkomenspositie kan verbeteren.

De rechtbank overweegt dat Interbank een groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigt (79,8%) en dat het niet aannemelijk is dat verzoekster niet in staat is om meer te betalen, mede omdat geen recente ontheffing van de arbeidsplicht of medische stukken zijn overgelegd. Daarom weegt het belang van Interbank zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers.

Het verzoek om Interbank te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat het aanbod niet het maximaal haalbare betreft.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 29 oktober 2025
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 30 juni 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Interbank N.V., in behandeling bij Vesting Finance, hierna te noemen: Interbank;
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Interbank, inmiddels handelend onder de naam IB Krediet B.V., heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend. Zij hebben daarin tevens aangegeven wegens proceseconomische redenen enkel schriftelijk verweer te voeren.
Ter zitting van 22 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw S. Ramlal en mevrouw S. Soekhai, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen: schuldhulpverlening);
  • mevrouw E. Groenewegen, begeleidster van verzoekster.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf (concurente) schuldeisers met zes vorderingen. Deze schuldeisers hebben volgens het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in totaal een bedrag van € 34.501,80 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 31 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,06 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Ten tijde van de brief van 31 maart 2025 betrof de schuldenlast € 35.501,80.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de eerder afgegeven ontheffing (welke liep tot 26 oktober 2024) niet is verlengd. Het is evenwel niet de verwachting dat verzoekster op korte termijn een hoger inkomen zal hebben. Verder is verzoekster bezig met taallessen.
Vier schuldeisers (met vijf vorderingen) stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Interbank stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 27.546,96 op verzoekster.

3.Het verweer

Interbank stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Het aangeboden bedrag is te laag en staat niet in verhouding met de totale schuldvordering. In de visie van Interbank heeft verzoekster voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. Er is namelijk geen medische problematiek en er is ook geen ontheffing van de arbeidsplicht. De inkomenspositie van verzoekster zou de komende tijd nog kunnen verbeteren. Interbank wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoekster zich maximaal inspant om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Interbank bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Interbank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Interbank een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 79,8 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Interbank in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een Participatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Er is geen recente ontheffing van de arbeidsplicht overgelegd. Verzoekster heeft verder ook geen medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Interbank als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om Interbank te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
Gelet op het voorgaande behoeft het verweer van Interbank geen nadere bespreking.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.