Eiser verhuurt sinds 1 maart 2025 een bedrijfspand aan gedaagde, die er een pilatesschool exploiteert. Eiser stelt dat zich meerdere ernstige incidenten hebben voorgedaan tussen de bestuurder van eiser en gedaagde, waaronder poging tot wurging, bedreiging, fysiek geweld en beledigend gedrag. Eiser vordert daarom ontruiming van het pand onder dwangsom en een vergoeding voor het gebruik.
De voorzieningenrechter beoordeelt in kort geding of er een spoedeisend belang is en of de vorderingen in de bodemprocedure kans van slagen hebben. De door eiser aangevoerde incidenten worden door gedaagde betwist. De rechter concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de incidenten zich hebben voorgedaan, mede vanwege gebrek aan bewijs en onduidelijkheid over de omstandigheden.
Ook een belangenafweging leidt niet tot toewijzing: het belang van gedaagde om haar investering van ruim €30.000 te behouden en haar bedrijf voort te zetten weegt zwaarder dan het belang van eiser. De vordering tot ontruiming en schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.