3.3.Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en de gevolgen daarvan. Hij is van mening dat door het ondertekenen van de open brief door de promotor sprake is van fundamentele vertrouwensbreuk in zijn begeleidingsrelatie met zijn promotor, zodat niet van hem verlangd kan worden dat hij zijn promotietraject met deze promotor voortzet. Indien hij geen andere promotor krijgt zal ook zijn deelname aan het EDLE-programma en de DAAD-beurs eindigen. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist en/of het CvP wordt opgedragen tijdelijke maatregelen te treffen waardoor hij zijn positie als promovendus behoudt, zijn deelname aan het EDLE-programma en zijn toegang tot academische faciliteiten bij de Erasmus Universiteit Rotterdam worden gewaarborgd en handelingen achterwege laat die zijn DAAD-beurs in gevaar kunnen brengen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van de zaak?
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang is om de zaak inhoudelijk te kunnen beoordelen.
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat sprake is van een spoedeisend belang omdat hij met ingang van 1 september 2025 geen academische begeleiding meer van de EUR ontvangt en hij voor zijn onderzoek geen gebruik meer kan maken van de universitaire faciliteiten. Hoewel hij voor zijn promotieonderzoek tevens is verbonden aan de partneruniversiteiten Hamburg en Bologna, brengt de beëindiging van zijn promotietraject aan de EUR ernstige en onomkeerbare gevolgen met zich mee, De voorwaarden van het EDLE-programma vereisen dat iedere promovendus zijn proefschrift verdedigt aan de EUR en dat hij wordt begeleid door een promotor van de EUR. Het bestreden besluit heeft dan ook tot gevolg dat hij niet meer beschikt over een EUR-promotor die hem kan begeleiden bij de voorbereiding op de verdediging van het proefschrift. Hierdoor kan verzoeker zijn doctoraatstitel niet behalen, of zal hij in ieder geval onomkeerbare en/of aanzienlijke vertraging oplopen in de afronding van zijn promotieonderzoek. Hiermee loopt verzoeker ook het risico op dat hij uit het EDLE-programma wordt verwijderd en de daaraan gekoppelde DAAD-beurs verliest.
7. De CvP stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. De CvP wijst er allereerst op dat verzoeker al sinds 18 juli 2025 weet dat de begeleiding vanuit de Erasmus School of Law (ESL) per 1 september 2025 zou ophouden, terwijl er pas op 13 oktober 2025 een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Daarnaast stelt de CvP dat verzoeker bij het verdedigen van zijn proefschrift en de voorbereiding daarop een promotor van de EUR nodig heeft, maar dat de verdediging van het proefschrift pas over minimaal twee jaar zal plaatsvinden. Daarbij komt dat verzoeker aan de Universiteit van Hamburg ook een begeleider heeft die hem bij zijn promotieonderzoek kan begeleiden. Voor zover verzoeker vreest dat hij uit het EDLE project zal worden gezet en zijn DAAD-beurs zal verliezen nu hij geen promotor aan de EUR heeft, is de CvP niet gebleken dat er aanwijzingen zijn dat dat ook daadwerkelijk zal gebeuren.
7. De voorzieningenrechter ziet in dit geval onvoldoende spoedeisend belang om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningen rechter zal hieronder uitleggen hoe zijn tot dat oordeel is gekomen.
8. Niet is geschil is dat verzoeker geen begeleiding bij zijn promotietraject meer krijgt vanuit de EUR, nu zijn verzoek om een andere promotor is afgewezen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker op dit moment niet verder kan met zijn promotieonderzoek. Zijn promotietraject volgt hij immers ook aan andere universiteiten. Hij heeft aan de Universiteit van Hamburg ook een begeleider. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij toegang heeft tot die faciliteiten aan die universiteit. Er is dan ook niet gebleken dat verzoeker niet verder kan als promovendus aan de Universiteit van Hamburg. Voor de daadwerkelijke verdediging van zijn proefschrift heeft verzoeker een promotor aan de EUR nodig, maar deze verdediging zal pas, zo heeft het CvP onbetwist gesteld, in 2027 plaatsvinden. Verzoeker vreest verder dat als gevolg van het afwijzen van zijn verzoek om een andere promotor hij ook niet meer aan de voorwaarden van het EDLE-programma voldoet en dit programma zal worden beëindigd. Verzoeker heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de deelname aan dat programma daadwerkelijk zal worden beëindigd. Bovendien kan de deelname aan het programma volgens de Doctoral Candidate Agreement, bij onvoldoende voortgang, alleen door de EDLE Coordination Board worden beëindigd na een waarschuwing. Niet is gebleken dat verzoeker een dergelijke waarschuwing heeft gekregen. Wat betreft de DAAD-beurs van verzoeker blijkt uit de Letter of Award dat die aan hem is toegekend van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2027. Verzoeker heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat deze beurs beëindigd zal worden, nu hij niet meer over een promotor aan de EUR beschikt.
9. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker graag duidelijkheid wil over het verdere verloop van zijn promotietraject en ook over de vraag wie hem daarbij als promotor aan de EUR zal begeleiden bij het verdedigen van zijn proefschrift, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op korte termijn onaanvaardbare gevolgen voor zijn promotietraject zal ondervinden en hij de uitspraak op zijn beroep niet kan afwachten. Vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter niet toe aan een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De vraag of de afwijzing van het verzoek om een andere promotor onrechtmatig is vanwege de door verzoekers aangevoerde beroepsgronden komt in de bodemprocedure aan de orde.