ECLI:NL:RBROT:2025:14086

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
11893320 VV EXPL 25-568
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en betaling huurachterstand na beëindiging zorg- en huurovereenkomst

In deze kort geding procedure vordert de verhuurder ontruiming van een kamer en betaling van een aanzienlijke huurachterstand door de huurder, nadat de zorg- en huurovereenkomst zijn beëindigd. De huurder is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder zonder recht of titel in de woning verblijft en veroordeelt hem tot ontruiming binnen zeven dagen na betekening van het vonnis. Tevens wordt de huurachterstand van €8.309,97 en een gebruiksvergoeding van €416,61 per maand vanaf november 2025 tot ontruiming toegewezen.

De gevorderde incassokosten van €790,50 worden afgewezen omdat de veertiendagenbrief niet voldoet aan de wettelijke eisen, met name doordat het in de brief genoemde bedrag aan huurachterstand niet overeenkomt met de werkelijke schuld, waardoor de incassokosten onrechtmatig zijn aangezegd.

Daarnaast worden de proceskosten van €1.341,21 en de wettelijke rente toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de verhuurder het direct kan laten uitvoeren.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen zeven dagen en betaling van de huurachterstand, gebruiksvergoeding en proceskosten, terwijl de incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11893320 VV EXPL 25-568
datum uitspraak: 3 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. L.W.B. Dijkstra-Devillers,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 4 november 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 19 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens [eiseres] en [persoon B] namens haar gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiseres] is een stichting die (jong)volwassenen begeleidt naar zelfstandig wonen en in dat kader een kamer verhuurt op basis van een zorg- en huurovereenkomst. [gedaagde] huurt kamer [nummer X] gelegen aan de [adres] in Rotterdam (hierna: het gehuurde). Nu de zorgovereenkomst is beëindigd, is ook de huurovereenkomst automatisch geëindigd. In dit kort geding vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt ontruimd uit de gehuurde kamer, omdat hij de zorgovereenkomst niet langer volgt en bovendien een aanzienlijke huurachterstand heeft opgebouwd van € 8.309,97 tot en met oktober 2025. Daarnaast eist [eiseres] betaling van de huurachterstand, een gebruiksvergoeding van € 416,61 per maand vanaf november 2025 tot de feitelijke ontruiming, de buitengerechtelijke incassokosten van € 790,50, de wettelijke rente en de proceskosten.

3.De beoordeling

3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat deze spoed aanwezig is.
Ontruiming
3.2.
[gedaagde] moet het gehuurde ontruimen. Deze eis lijkt namelijk niet onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv Pro). Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft omdat de huurovereenkomst is beëindigd. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure daarop vooruit te lopen en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen.
3.3.
[eiseres] vraagt de kantonrechter om een ontruimingstermijn van drie dagen te hanteren. De kantonrechter is van oordeel dat dit een onredelijk korte termijn is. De ontruimingstermijn wordt daarom in redelijkheid bepaald op zeven dagen nadat het vonnis is betekend.
Huurachterstand
3.4.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de huurachterstand van € 8.309,97 aan [eiseres] te betalen, omdat ook deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro). Hij moet ook vanaf november 2025 tot en met de dag van de ontruiming een gebruiksvergoeding van € 416,61 (blijven) betalen. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor het eventueel resterende gedeelte van de maand na de dag van de ontruiming. Als het gehuurde voor het eind van de maand wordt ontruimd, hoeft [gedaagde] voor die laatste dagen van de maand geen vergoeding te betalen (naar rato).
Incassokosten
3.5.
De incassokosten van € 790,50 worden afgewezen. [eiseres] baseert de incassokosten op de veertiendagenbrief van 8 augustus 2025 (productie 12). In die brief wordt een huurachterstand genoemd van € 7.476,75 en wordt aangezegd dat bij niet-tijdige betaling een bedrag van € 748,84 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zal zijn.
De kantonrechter stelt vast dat de in de brief genoemde huurachterstand van € 7.476,75 niet overeenkomt met de in de dagvaarding gestelde huurachterstand. In de dagvaarding stelt [eiseres] immers dat de huurachterstand berekend tot en met 10 augustus 2025 (twee dagen na de brief) € 7.194,53 bedraagt. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom in de brief van 8 augustus 2025 van een hogere huurachterstand is uitgegaan. Nu moet worden aangenomen dat de daadwerkelijk verschuldigde hoofdsom ten tijde van de brief lager was dan in de brief vermeld, is in de brief een hoger bedrag aan incassokosten (€ 748,84) aangezegd dan op grond van de wet was toegestaan. Omdat in de veertiendagenbrief een hoger bedrag aan incassokosten is aangezegd dan wettelijk is toegestaan over de verschuldigde hoofdsom, voldoet de brief niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Dat [eiseres] in het petitum zonder nadere toelichting een nog hoger bedrag (€ 790,50) vordert dan in de brief is aangezegd, behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking, maar zou op zichzelf reeds aan toewijzing in de weg hebben gestaan.
Rente
3.6.
De rente over de huurachterstand wordt, zoals gevorderd, toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
Proceskosten
3.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 120,21 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.341,21. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 8.309,97, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 4 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis kamer 2 in de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen € 416,61 met ingang van de maand november 2025 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.341,21 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gerritse en in het openbaar uitgesproken.
53954