ECLI:NL:RBROT:2025:14143

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1723 – FT RK/ 25/1724
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in het kader van schuldsanering en huurrecht

In deze zaak heeft verzoekster op 19 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 9 oktober 2025 bepaald. Tijdens de zitting is de advocaat van de verweerster, mr. L.J. Verheij, verschenen. Verzoekster vroeg om een moratorium om de ontruiming van haar woning te voorkomen, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 305 lid 2 Fw. De huurovereenkomst was ontbonden vanwege onvoldoende financiële waarborg en het ontbreken van een huisvestigingsvergunning. Verzoekster heeft verklaard dat zij niet in staat is de huur te betalen en dat zij zich niet kan inschrijven op het adres van de ontruiming, wat haar positie verergert. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een huurachterstand die het verzoek om een moratorium kan rechtvaardigen. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen het ontruimingsvonnis. De rechtbank heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 16 oktober 2025
[verzoekster],
wonende te [adres 1]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 19 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2025.
Ter zitting van 9 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij Stichting Hef Wonen (hierna: verweerster);
  • mr. L.J. Verheij, advocaat van verweerster.
Mr. Verheij heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij niet staat ingeschreven op het adres waarop de ontruiming ziet, maar op een adres van het Leger des Heils. Indien zij zich op het [adres 2] te [plaats] laat inschrijven, verliest zij haar inschrijvingsduur van bijna zes jaar bij Woonnet Rijnmond en komt zij weer onderaan de wachtlijst voor een huurwoning. Omdat verzoekster zich niet laat inschrijven op het [adres 2] te [plaats] , kan zij ook geen huisvestingsvergunning aanvragen. Verzoekster stelt een stabiel inkomen te hebben. Zij werkt als zelfstandige in de zorg en volgt een opleiding. Verzoekster stelt verder dat zij de huur niet kan voldoen, omdat zij geen contact heeft met verweerster. Er is hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter, aldus verzoekster. Voor haar schuldenproblematiek heeft verzoekster zich aangemeld bij Zuidweg en Partners. Er zal een BBZ-traject worden opgestart. Het minnelijke traject bevindt zich in de opstartfase.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. De huurovereenkomst met verzoekster is op grond van artikel 7:269 lid 2 sub a (onvoldoende financiële waarborg) en op grond van artikel 7:269 lid 2 sub d BW (geen huisvestigingsvergunning) ontbonden. Er is daarnaast sprake van een aanzienlijke huurachterstand. Het ontruimingsvonnis heeft derhalve mede een andere ontbindingsgrond dan alleen de huurachterstand, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 305, tweede lid, Fw. Bovendien is de gebruiksvergoeding over oktober 2025 niet voldaan. Van verweerster kan niet gevergd worden dat zij verzoekster nog langer de woning laat gebruiken zonder daar enige vergoeding voor te ontvangen. Verweerster kan uit het dossier niet opmaken dat verzoekster contact met haar heeft opgenomen. Bovendien had verzoekster tot aan de zitting een advocaat. Het had dan ook op de weg van verzoekster gelegen om via de advocaat contact met verweerster op te nemen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 18 september 2025«datum exploit» heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 305, tweede lid Fw. Kort gezegd volgt uit artikel 287b, vierde lid, Fw, in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw, dat een moratorium zoals in deze procedure is verzocht alleen kan worden toegewezen als de dreigende ontruiming van de huurwoning het gevolg is van een huurachterstand. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2025 volgt immers dat de kantonrechter de huurovereenkomst (mede) heeft ontbonden omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 7:269, tweede lid onder a, BW (onvoldoende financiële waarborg) en artikel 7:269, tweede lid onder d, BW (geen huisvestigingsvergunning). De ontbinding ziet dus niet alleen op een huurachterstand, zodat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 305, tweede lid, Fw. Verzoekster heeft overigens ter zitting verklaard dat zij nog steeds niet in het bezit is van een huisvestigingsvergunning. Voor het ontruimingsvonnis van 18 juli 2025 kan dan ook geen moratorium ex artikel 287b Fw worden verleend, omdat er geen sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2025. Verzoekster heeft dit echter niet met stukken onderbouwd, zodat de rechtbank dit niet kan controleren. Als verzoekster wel zou hebben onderbouwd dat zij hoger beroep heeft ingesteld, geldt dat daarmee nog niet vast staat dat het verzoek om een moratorium wel zou worden toegewezen. Hierover wordt in dit vonnis niet beslist, omdat niet vast staat dat er hoger beroep is ingesteld.
Verder wordt opgemerkt dat verzoekster ter zitting heeft verklaard dat zij de lopende huurtermijnen, waaronder de huur voor de maand oktober 2025, niet heeft voldaan. Het voldoen van de lopende huurtermijnen is een vereiste voor het toewijzen van een moratorium. Het onderhavige verzoek van verzoekster moet ook om die reden worden afgewezen.
De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.