ECLI:NL:RBROT:2025:14145

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1683 – FT RK 25/1684
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium op verzoek van een schuldenaar met één schuldeiser

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift van een schuldenaar, die om een voorlopige voorziening vroeg op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. De verzoeker, die inkomsten ontvangt uit een Participatiewet-uitkering en huurtoeslag, vroeg om een moratorium van zes maanden, omdat hij slechts één schuldeiser had en dreigde ontruimd te worden uit zijn huurwoning. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker in staat is om de lopende huurtermijnen te voldoen, ondanks een eerdere huurachterstand. De verweerster, de verhuurder, had de huurovereenkomst ontbonden op grond van dringend eigen gebruik, maar de rechtbank oordeelde dat dit verweer niet voldoende onderbouwd was. De rechtbank heeft het verzoek tot moratorium toegewezen, maar voor een kortere termijn van vier maanden in plaats van de gevraagde zes maanden, omdat de verzoeker slechts één schuldeiser had. Tevens werd de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming opgeschort voor de duur van het moratorium, mits de verzoeker zijn huurtermijnen tijdig blijft voldoen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 16 oktober 2025
[verzoeker],
wonende te [adres 1]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 17 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2025.
Ter zitting van 9 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer J.A. van Es en mevrouw D. Rodriguez, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Woonstad (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering en huurtoeslag. Dit inkomen is voldoende om de lopende huurtermijnen van € 625,43 per maand te voldoen. De huur over de maand oktober 2025 is voldaan. De huur van september 2025 is door verzoeker niet voldaan omdat, zo heeft hij ter zitting verklaard, schuldhulpverlening heeft meegedeeld dat hij vanaf oktober 2025 voor stipte betaling van de huurtermijnen diende zorg te dragen. Hij zal zijn ouders om hulp vragen en de huur over september 2025 alsnog voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schuldregeling is gestart. Het is de verwachting dat budgetbeheer in de maand november 2025 zal aanvangen. De machtigingen om het inkomen op het juiste rekeningnummer te ontvangen zijn naar de diverse instanties verzonden. Voor wat betreft de schuldenlast heeft schuldhulpverlening verklaard dat er feitelijk sprake is van één schuld, te weten de schuld aan de verhuurder.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster heeft primair aan de kantonrechter verzocht om de huurovereenkomst te ontbinden op grond van dringend eigen gebruik. Verzoeker huurt op basis van een campuscontract. Aan verzoeker is diverse malen verzocht om aan te tonen dat hij nog studeert, maar deze stukken zijn niet door verzoeker aangeleverd. Gelet op deze ontbindingsgrond is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 5 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw. Kort gezegd volgt uit artikel 287b, vierde lid, Fw, in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw, dat een moratorium zoals in deze procedure is verzocht alleen kan worden toegewezen als de dreigende ontruiming van de huurwoning het gevolg is van een huurachterstand. Verweerster heeft aangevoerd dat de huurovereenkomst is ontbonden wegens dringend eigen gebruik. Daarmee zou niet zijn voldaan aan het hiervoor genoemde vereiste dat volgt uit artikel 287b, vierde lid, Fw in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw. Hoewel verzoeker ter zitting heeft erkend dat hij op dit moment niet studeert, dient het standpunt van verweerster voldoende onderbouwd te zijn om te leiden tot afwijzing van het onderhavige verzoek. In het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2025 is echter niet overwogen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden op grond van dringend eigen gebruik. In dat vonnis is enkel overwogen dat de hoogte van de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 287b, vierde lid, Fw, in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw. Het verweer slaagt daarom niet.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomen uit een Participatiewet-uitkering en huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. De huur over de maand oktober 2025 is voldaan en verzoeker heeft ter zitting meegedeeld dat hij ook de huur over de maand september 2025 nog zal voldoen. Budgetbeheer is opgestart en de verwachting is dat vanaf eind november 2025 de vaste lasten door de budgetbeheerder zullen worden voldaan. Met budgetbeheer zijn de huurbetalingen voldoende gewaarborgd.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank wijst het moratorium toe, maar ziet, gelet op het feit dat verzoeker slechts één schuldeiser heeft, aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor vier maanden. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 27 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres 2] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden vanaf
18 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.